Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank 's-Gravenhage, Maastricht, September 26, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/09/26
Uitgevende instantie::Maastricht
SAMENVATTING

Verblijfsrichtlijn / familieleden die niet gezamenlijk met Unieburger in andere lidstaat hebben verbleven alvorens naar land van herkomst te reizen / artikel 8 EVRM. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het behoud van rechten krachtens het EU-recht van de eigen onderdanen na terugkeer in eigen land uitsluitend strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

zittinghoudende te Maastricht

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11 / 20527 en AWB 11 / 20535

Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[A] en [B], eisers,

(gemachtigde: mr. L.J.H. Hoven-Kohl),

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M.J. Pieters).

  1. Procesverloop

    Bij (onderscheiden) besluiten van 30 mei 2011 heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen zijn besluiten van 10 december 2009 ongegrond verklaard. Bij de laatstgenoemde besluiten heeft verweerder de (onderscheiden) aanvragen van eisers om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

    Eisers hebben beroep doen instellen tegen de besluiten van 30 mei 2011. De beroepsgronden zijn ingediend bij brief van 18 juli 2011 en aangevuld bij brief van 8 december 2011.

    Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012, alwaar eiser [B] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Voorts waren [C], de broer van eisers (hierna: referent), en zijn echtgenote [D] aanwezig.

    Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

  2. Overwegingen

    2.1 In geding is of verweerder de aanvragen om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

    2.2 Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende, niet betwiste feiten.

    2.3 Eisers en referent hebben de Senegalese nationaliteit. Referent is getrouwd met [D], die de Nederlandse nationaliteit bezit. Referent en zijn echtgenote hebben een periode in België verbleven om daarna terug te keren naar Nederland. Bij terugkeer in Nederland heeft referent op 23 mei 2007 een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 ontvangen.

    2.4 Ten tijde van het verblijf van referent en zijn echtgenote in België bevonden eisers zich in Senegal. Eisers zijn in 2009 Nederland ingereisd met een C-visum. Eisers hebben zich vervolgens in Nederland bij referent en zijn echtgenote gevoegd en een aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw2000 ingediend. Ten tijde van de aanvragen waren eisers minderjarig.

    2.5 In de bestreden besluiten heeft verweerder, zij het op andere gronden dan vermeld in de besluiten van 9 december 2009, zijn standpunt gehandhaafd dat eisers niet in aanmerking komen voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat eisers geen rechten kunnen ontlenen aan de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 1 58; hierna: de Richtlijn), omdat eisers niet met referent en zijn echtgenote in het gastland van referent, België, hebben verbleven en niet vanuit het gastland met hen zijn meegereisd naar Nederland. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (hierna: Hof) volgt dat het behoud van rechten krachtens het EU-recht van de eigen onderdanen na terugkeer in eigen land uitsluitend strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het gezinsleven en het vrij verkeer van eisers. Aan de vraag of eisers kunnen worden aangemerkt als familieleden in de zin van artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt niet toegekomen volgens verweerder, omdat eisers in het geheel niet onder de werkingssfeer van de Richtlijn vallen.

    2.6 Eisers betogen allereerst – samengevat weergegeven en voor zover van belang – dat zij binnen de werkingssfeer van de Richtlijn vallen. Het feit dat eisers niet met referent en zijn echtgenote in België hebben verbleven, staat er niet aan in de weg dat zij rechten kunnen ontlenen aan het EU-recht. Eisers betogen dat wanneer zij in België het verzoek hadden gedaan om zich bij referent te mogen voegen, dit...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT