Raadkamer van Rechtbank Dordrecht, 21 november 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 november 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Dordrecht
SAMENVATTING

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, voor onder meer (een poging tot) heling van schilderijen van Frans Hals en Jacob van Ruysdael en het witwassen van de opbrengst daarvan. De rechtbank verwerpt het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ook het beroep op... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/870478-11

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 november 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te 1962,

wonende te [adres verdachte],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 7 november 2012.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu er sprake is van meerdere onherstelbare vormverzuimen.

De verdediging heeft daartoe ten eerste aangevoerd dat, gezien de aard van de contacten, de duur, de inhoud en de intensiteit daarvan, er sprake is geweest van burgerinfiltratie ex artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering en niet van burgerpseudokoop ex artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering. In casu is derhalve ten onrechte geen bevel tot burgerinfiltratie verleend.

De rechtbank overweegt in dit verband dat bij (burger)infiltratie de infiltrant binnendringt in de kring en het milieu van de verdachte(n). De infiltrant neemt vaak ook deel aan activiteiten die binnen dit milieu worden uitgevoerd. (Burger)pseudokoop kan onderdeel zijn van infiltratie, maar dit kan ook los daarvan plaatsvinden, zonder dat de (burger)pseudokoper deelneemt of medewerking verleent aan de criminele groepering.

In het onderzoek “Kopie” is een burgerpseudokoper ingezet om twee schilderijen terug te krijgen. Dit betrof een eenmalige transactie. Een lange voorbereidingstijd is hierbij toegestaan en maakt niet dat er sprake zou zijn van infiltratie. Alle contacten die in dit onderzoek hebben plaatsgevonden tussen verdachte(n) en de burgerpseudokoper hadden betrekking op de overdracht van de twee schilderijen. Niet is gebleken dat de burgerpseudokoper naast deze contacten op enigerlei wijze is binnengedrongen in de kring waarin verdachten zich bevonden. Naar het oordeel van de rechtbank valt het handelen van de burgerpseudokoper hiermee binnen de reikwijdte van artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering en is van infiltratie geen sprake. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt verworpen.

Door de verdediging is ten tweede aangevoerd dat er niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de inzet van de burgerpseudokoper.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Bij het gebruik van een bijzondere opsporingsbevoegdheid dient onder meer gekeken te worden naar de aard van het misdrijf, de impact hiervan en de overige bijzondere omstandigheden van het geval. Dit onderzoek “Kopie” betreft een grote zaak met onder meer een schilderij dat niet alleen een financiële waarde heeft van vele miljoenen maar dat ook behoort tot het culturele erfgoed van onze samenleving. Voorafgaand aan het onderzoek “Kopie” vond er in Almelo een onderzoek “Egidio” plaats. In dit onderzoek werd op grond van artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering gebruik gemaakt van een burgerpseudokoper om een zestal waardevolle schilderijen terug te halen via een medeverdachte.

Toen op een gegeven moment de twee gestolen schilderijen uit Leerdam ter sprake zijn gekomen is ervoor gekozen ook in dit onderzoek gebruik te maken van de burgerpseudokoper en hiertoe is een nieuwe overeenkomst opgesteld. Gezien de specifieke aard van de zaak en het traject dat reeds liep, acht de rechtbank de inzet van de burgerpseudokoper niet buitenproportioneel. Juist in kunstzaken heeft men een lange adem nodig om tot een goed einde te komen. Onderhandelen over de terugkomst van bepaalde kunstwerken is daarbij onvermijdelijk. De ervaring leert dat met het aftappen van telefoonlijnen en observeren alleen dergelijke kunstwerken niet zijn terug te krijgen. De inzet van een burgerpseudokoper is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gerechtvaardigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de inzet van de burgerpseudokoper ook aan de eis van subsidiariteit voldaan. Tot inzetting van een burgerpseudokoper mag pas worden overgegaan als een bevel ex artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering niet kan worden gegeven. De officier van justitie zal terzake in een schriftelijke motivering moeten voorzien. Door de officier van justitie is ter terechtzitting gewezen op de schriftelijke motivering die is opgenomen in de aanvraag tot inzet van een burgerpseudokoper in het onderzoek “Egidio”, welke motivering tevens ten grondslag ligt aan de overeenkomst tot burgerpseudokoop in het onderzoek “Kopie”. Uit de motivering volgt dat er landelijk gezien geen persoon in de organisatie beschikbaar is die aan het profiel van verzekeringsman c.q. nette verschijning kan voldoen. Bovendien is er niemand beschikbaar die in die hoedanigheid de kwaliteit heeft op korte termijn direct een goed contact tot stand te brengen met verdachte en zijn medeverdachten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verder aangevoerd dat het niet alleen gaat om de verschijning van de persoon, maar dat van belang is dat diegene vanuit een bepaald profiel een dergelijke rol kan dragen. Hoewel uiterlijke kenmerken kennelijk ook een rol spelen, gaat het vooral om de manier waarop iemand kan bewegen en meebewegen met een verdachte. De rechtbank is van oordeel dat met de schriftelijke motivering en de aanvulling daarop ter terechtzitting voldoende duidelijk is waarom niet tot het inzetten van een opsporingsambtenaar als pseudokoper kon worden overgegaan. Kunstzaken zijn wat hun aard en omvang betreft zo specifiek dat de houding en het voorkomen van de koper van doorslaggevend belang kunnen zijn. Specifieke kennis van kunst is hierbij een voordeel maar niet per se noodzakelijk. Dat binnen de speciale teams van opsporingsambtenaren van de unit Werken Onder Dekmantel niet direct een persoon beschikbaar is die aan dit profiel voldoet, acht de rechtbank gezien de specifieke aard van de zaak, anders dan de verdediging, aannemelijk. Het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot de onrechtmatigheid van de inzet van de burgerpseudokoper wordt verworpen.

Door de verdediging is ten slotte aangevoerd dat het zogenaamde Tallon-criterium is geschonden, nu verdachte en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT