Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Dordrecht, 21 november 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 november 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Dordrecht
SAMENVATTING

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, voor onder meer (een poging tot) heling van schilderijen van Frans Hals en Jacob van Ruysdael en het witwassen van de opbrengst daarvan. De rechtbank verwerpt het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/870544-11

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 november 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1963],

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 7 november 2012.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu er sprake is van meerdere onherstelbare vormverzuimen.

De verdediging heeft daartoe ten eerste aangevoerd dat de inzet van de burgerpseudokoper onrechtmatig is geweest, nu de bijstand al vanaf 14 augustus 2011 heeft plaatsgevonden en het bevel door de officier van justitie pas op 17 augustus 2011 is gegeven.

De rechtbank overweegt dat de burgerpseudokoper op grond van een overeenkomst ex artikel 126ij van het Wetboek van Strafvordering contact had met medeverdachte [medeverdachte 1] in het onderzoek "Egidio". Deze overeenkomst was tot aan het opstellen van de overeenkomst op 17 augustus 2011 in het onderzoek "Kopie" geldig. Van onrechtmatigheid van inzet van de burgerpseudokoper is dan ook geen sprake als op 14 augustus 2011 door medeverdachte [medeverdachte 1] wordt gesproken over "iets groots". Als duidelijk is geworden dat met iets groots, de twee gestolen schilderijen uit Leerdam worden bedoeld, wordt het onderzoek overgedragen aan het openbaar ministerie in het arrondissement Rotterdam / Dordrecht. Op dat moment is de inzet van de burgerpseudokoper wederom getoetst en is er in het kader van het onderzoek "Kopie" een nieuwe overeenkomst ex artikel 126ij, van het Wetboek van Strafvordering opgesteld. Nu tot het moment van overdracht op 17 augustus 2011 aan de contacten tussen de burgerpseudokoper en medeverdachte [medeverdachte 1] een geldige overeenkomst ten grondslag lag, is naar het oordeel van de rechtbank van onrechtmatig handelen van het openbaar ministerie geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

Door de verdediging is ten tweede aangevoerd dat niet is voldaan aan de motiveringseis en de eis van subsidiariteit bij de inzet van de burgerpseudokoper.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Tot inzetting van een burgerpseudokoper mag pas worden overgegaan als een bevel ex artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering niet kan worden gegeven. De officier van justitie zal terzake in een schriftelijke motivering moeten voorzien. Door de officier van justitie is ter terechtzitting gewezen op de schriftelijke motivering die is opgenomen in de aanvraag tot inzet van een burgerpseudokoper in het onderzoek "Egidio", welke motivering tevens ten grondslag ligt aan de overeenkomst tot burgerpseudokoop in het onderzoek "Kopie". Uit de motivering volgt dat er landelijk gezien geen persoon in de organisatie beschikbaar is die aan het profiel van verzekeringsman c.q. nette verschijning kan voldoen. Bovendien is er niemand beschikbaar die in die hoedanigheid de kwaliteit heeft op korte termijn direct een goed contact tot stand te brengen met de (mede)verdachte(n). Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verder aangevoerd dat het niet alleen gaat om de verschijning van de persoon, maar dat van belang is dat diegene vanuit een bepaald profiel een dergelijke rol kan dragen. Hoewel uiterlijke kenmerken kennelijk ook een rol spelen, gaat het vooral om de manier waarop iemand kan bewegen en meebewegen met een verdachte. De rechtbank is van oordeel dat met de schriftelijke motivering en de aanvulling daarop ter terechtzitting voldoende duidelijk is waarom niet tot het inzetten van een opsporingsambtenaar als pseudokoper kon worden overgegaan. Kunstzaken zijn wat hun aard en omvang betreft zo specifiek dat de houding en het voorkomen van de koper van doorslaggevend belang kan zijn. Specifieke kennis van kunst is hierbij een voordeel maar niet per se noodzakelijk. Dat binnen de speciale teams van opsporingsambtenaren van de unit Werken Onder Dekmantel niet direct een persoon beschikbaar is die aan dit profiel voldoet, acht de rechtbank gezien de specifieke aard van de zaak, anders dan de verdediging, aannemelijk. Het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot de onrechtmatigheid van de inzet van de burgerpseudokoper wordt verworpen.

Door de verdediging is ten derde aangevoerd dat het zogenaamde Tallon-criterium is geschonden, nu de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door toedoen van de burgerpseudokoper zijn overgegaan tot de overdracht van de gestolen Frans Hals en Jacob van Ruysdael.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het onderzoek "Kopie" heeft zijn vervolg gekregen op het moment dat uit onderzoek "Egidio" naar voren is gekomen dat medeverdachte [medeverdachte 1] de twee gestolen schilderijen uit Leerdam zou kunnen leveren. Het traject tot het aanbrengen van de zes waardevolle schilderijen uit onderzoek "Egidio" is vastgelopen wanneer medeverdachte [medeverdachte 1] op 14 augustus 2011 contact opneemt met de burgerpseudokoper met de vraag of zij konden afspreken omdat hij, medeverdachte [medeverdachte 1], iets groots had. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft deze gang van zaken bevestigd in zijn verhoor van 30 oktober 2011 (p. 649-650). [medeverdachte 1] zou bij medeverdachte [medeverdachte 3] hebben nagevraagd of hij deze schilderijen kon leveren. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft hem toen een briefje laten zien met daarop de namen van Frans Hals en Jacob van Ruysdael en gevraagd of medeverdachte [medeverdachte 1] deze schilderijen voor hem kon verkopen. [medeverdachte 1] moest hierbij meteen aan de burgerpseudokoper denken en heeft daarna weer contact gezocht. Niet is gebleken dat voor dit moment door de burgerpseudokoper op enigerlei wijze is gevraagd naar of aangedrongen op de twee schilderijen, anders dan in een kennelijk sociaal gesprek in mei 2011, een dag na de diefstal van de schilderijen in Leerdam. [medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat het initiatief bij de onderhandelingen over de twee schilderijen uit Leerdam van hem uitging (p. 661). [medeverdachte 1] heeft tijdens een ontmoeting met de burgerpseudokoper gezegd dat de schilderijen in brand gestoken zouden worden door de bezitters van de schilderijen als niet aan de gestelde eisen zou worden voldaan (p. 442). Dit was volgens [medeverdachte 1] verzonnen door verdachte om de burgerpseudokoper onder druk te zetten (p. 663). [medeverdachte 1] wist ook niet beter dan dat de andere partij die de schilderijen in bezit had één miljoen euro wilde ontvangen en dat hij en de medeverdachten de rest van het geld zouden verdelen (p. 664).

Op de momenten dat de onderhandelingen over de voorwaarden tot levering vastliepen en de contacten tussen [medeverdachte 1] en de burgerpseudokoper leken te stoppen, was het telkens medeverdachte [medeverdachte 1] die toch weer opnieuw contact opnam op bijvoorbeeld op 1 september 2011 (tap 8, p. 494 en p. 408), 13 september 2011 (tap 303, p. 532) en 7 oktober 2011 (p. 437). Tijdens een ontmoeting op 8 september 2011 zijn het ook de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die nieuwe voorwaarden stellen en aan de burgerpseudokoper een telefoon overhandigen die in het vervolg door hem gebruikt dient te worden voor de communicatie (p. 424).

Op grond van het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT