Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Roermond, 18 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:18 december 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Roermond
SAMENVATTING

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van een overval, ondanks een uitdruikkelijke, beëdigde, verklaring van bekennende medeverdachte dat verdachte niet aan de overval heeft deelgenomen.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummers: 04/850163-12 en 04/800168-10 (tul)

Datum uitspraak: 18 december 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Weert op [geboortedatum],

gedetineerd in [detentieadres].

  1. Het onderzoek van de zaak

    Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

    van 11 september 2012 en 4 december 2012.

  2. De tenlastelegging

    De verdachte staat terecht ter zake dat:

  3. hij op of omstreeks 29 mei 2012 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/althans wat van hun/zijn gading was, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk een arm om de nek van die [slachtoffer 1] heeft geklemd en/althans een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht en (daarbij) heeft gezegd "Dit is een overval, waar is de kluis", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid (art. 317 jo. 45 Wetboek van Strafrecht);’

    althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

    hij op of omstreeks 29 mei 2012 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/althans wat van hun/zijn gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met dat oogmerk een arm om de nek van die [slachtoffer 1] heeft geklemd en/althans een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht en (daarbij) heeft gezegd "Dit is een overval, waar is de kluis", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid (art. 312 jo. 45 Wetboek van Strafrecht);

  4. hij op of omstreeks 28 mei 2012 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Aprilia Te, kenteken [kenteken]) en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) (art. 311 van het Wetboek van Strafrecht);

    althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

    hij in of omstreeks de periode van 28 mei 2012 tot en met 29 mei 2012 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een bromfiets (merk Aprilia Te, kenteken [kenteken]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van deze bromfiets wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof (art. 416 subs. 417bis van het Wetboek Strafrecht).

    Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

  5. De geldigheid van de dagvaarding

    Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

  6. De bevoegdheid van de rechtbank

    Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

  7. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

    Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

  8. Schorsing der vervolging

    Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

  9. Bewijsoverwegingen

    7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

    De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 4 december 2012 gevorderd dat

    de verdachte ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de aangifte, diverse getuigenverklaringen waaruit blijkt dat een van de daders een roze sjaal droeg en de NFI-rapportage waaruit blijkt dat het speeksel van verdachte op de roze sjaal is aangetroffen. Bovendien heeft verdachte geen enkele moeite gedaan om een aannemelijke verklaring voor zijn gestelde onschuld af te leggen.

    De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd dat de door de diverse getuigen gegeven signalementen niet per definitie specifiek op verdachte van toepassing hoeven te zijn, dat door getuige [getuige 1] geen volledige herkenning is gedaan en dat voor wat betreft het onderzoek naar de telefoongegevens niet eens vaststaat dat de onderzochte telefoon daadwerkelijk van verdachte is. Voorts heeft verdachte aangegeven in de rugzak te hebben gekeken en daaruit spullen te hebben gehaald, waarmee het speeksel en DNA van verdachte op de roze sjaal verklaard kan worden. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting als getuige verklaard dat verdachte niet zijn mededader was bij onderhavige overval.

    7.2.Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

    Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

    De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of onderhavige overval, indien bewezen, bezien kan worden als een poging tot afpersing dan wel een poging tot diefstal met geweldpleging. De rechtbank merkt op dat het bij afpersing niet gaat om de wegnemingshandeling van de dader maar dat de handeling van het slachtoffer die door dwang, geweld of bedreiging met geweld bewerkstelligd wordt centraal staat. In het dossier zijn geen bewijsmiddelen voorhanden waaruit kan worden geconcludeerd dat de opzet van de daders gelegen was in het dwingen tot afgifte. Wel blijkt uit na te melden bewijsmiddelen dat sprake is van handelingen die tot doel hadden om goederen toe te eigenen. Daarmee komt de rechtbank tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde.

    Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

    Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal kan worden afgeleid. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

    7.3.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

    De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

    (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

    Op 29 mei 2012 deed [slachtoffer 1] aangifte en verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: “Ik wens aangifte te doen van poging diefstal door middel van geweld, omdat ik vanmorgen dinsdag 29 mei 2012 omstreeks 08.37 uur, ben overvallen in de winkel genaamd de [naam] aan het [adres] te Weert. Ik ben mede namens [slachtoffer 2] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben voorheen eigenaresse geweest van de winkel, maar inmiddels heeft mijn zoon, [slachtoffer 4], de winkel overgenomen.

    Op dinsdag 29 mei 2012, omstreeks 08.37 uur, was ik achter de toonbank bezig met het sorteren van de kranten. Ineens hoorde ik een jongensstem achter mij roepen: “Dit is een overval, waar is de kluis!” Ik ging rechtop staan, draaide me om en zag toen 2 jongens in de winkel staan. Ik zag dat 1 jongen voor de toonbank stond en de andere voor mij, zowat tegen mij aan, achter de toonbank. Vervolgens zag ik dat de persoon...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT