Hoger beroep van Gerechtshof 's-Gravenhage, December 20, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/12/20
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Strafzaak tegen vijf Somalische piraten. Ten laste is gelegd zeeroof ex artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Verwerping van de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Nederland heeft in het Wetboek van Strafrecht universele rechtsmacht gevestigd voor gevallen van piraterij op volle zee, welke nationale regeling niet in strijd is met internationale... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

Rolnummer: 22-004046-11

Parketnummer: 10-960245-10

Datum uitspraak: 20 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van

12 augustus 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[T06],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië), waarbij de verdachte aangeeft niet te weten in welk jaar hij is geboren en dat hij in ieder geval 24 jaar oud is,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

  1. Onderzoek van de zaak

    Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

    22 februari 2012, 23 april 2012, 18 juni 2012, 8 augustus 2012, 8 oktober 2012, 9 oktober 2012, 10 oktober 2012,

    17 oktober 2012, 31 oktober 2012, 7 november 2012,

    12 november 2012, 14 november 2012, 28 november 2012 en 12 december 2012.

    Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal.

  2. Tenlastelegging

    Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg op 16 mei 2011 - ten laste gelegd dat:

    hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 19 november 2010, vanaf/op het vaste land van Somalië en/of vanaf/op de kust van Koyaama Island (Somalië), en/of in de territoriale wateren van Somalië, en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) als schipper heeft dienstgenomen en/of dienst gedaan op een vaartuig, wetende dat het bestemd was en/of (telkens) het gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen (welk gepleegd geweld bestond uit het schieten met (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper op, althans in de richting van de vaartuigen SV de Choizil, en/of het Franse marineschip de Floréal, althans in de richting van één of meer zich op open zee bevindende (koopvaardij) vaartuigen en/of de zich daarop bevindende personen en/of goederen, althans uit het dreigend tonen van (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper aan die personen en/of het met die wapens onder schot houden van die personen), zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren;

    en/of

    hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 19 november 2010, vanaf/op het vaste land van Somalië en/of vanaf/op de kust van Koyaama Island (Somalië), en/of de territoriale wateren van Somalië, en/of op volle zee, in de Golf van Aden, en/of in de Indische Oceaan, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) als schepeling heeft dienstgenomen en/of dienst gedaan op een vaartuig, dat (telkens) bestemd was en/of gebruikt werd om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen, terwijl hij bekend was met deze bestemming en/of dit gebruik en/of vrijwillig in dienst is gebleven op zodanig vaartuig na met deze bestemming en/of dit gebruik bekend te zijn geworden (welk gepleegd geweld bestond uit het schieten met (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper op, althans in de richting van de vaartuigen SV de Choizil, en/of het Franse marineschip de Floréal, althans in de richting van één of meer zich op open zee bevindende (koopvaardij) vaartuigen en de zich daarop bevindende personen en/of goederen, althans uit het dreigend tonen van (automatische) (vuur)wapens en/of een raketwerper aan die personen en/of het met die wapens onder schot houden van die personen) zonder door een oorlogvoerende mogendheid daartoe gemachtigd te zijn of tot de oorlogsmarine van een erkende mogendheid te behoren.

  3. Procesgang

    In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

  4. Hoger beroep

    De officier van justitie heeft op 24 augustus 2011 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.

  5. Rechtsmacht en verdragsrechtelijke bevoegdheden

    Rechtsmacht

    Het hof overweegt ambtshalve dat Nederland in deze zaak ten aanzien van de ten laste gelegde zeeroof ex artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht heeft op grond van het bepaalde in artikel 4 aanhef en onderdeel 5 van het Wetboek van Strafrecht. Feiten of omstandigheden die in de weg zouden (kunnen) staan aan een vervolging van de verdachte in Nederland zijn het hof niet gebleken.

    Het openbaar ministerie is derhalve op het punt van de rechtsmacht ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde.

    Verdragsrechtelijke bevoegdheden

    Het hof heeft vervolgens bezien of, ondanks de uitdrukkelijke wettelijke basis voor rechtsmacht, en gelet op artikel 94 van de Grondwet, regels van internationaal recht in de weg staan aan een vervolging van de verdachte in Nederland.

    Voor de beoordeling hiervan, voor zover in deze strafzaak relevant, zijn de volgende verdragen van belang waarbij Nederland (verdrags-)partij is:

    - het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the law of the Sea), (hierna: UNCLOS), en

    - het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart (Convention for the Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Maritime Navigation), (hierna: SUA).

    Artikel 100 van het UNCLOS bevat de verplichting van de verdragsstaten om samen te werken ter onderdrukking van piraterij en artikel 105 van het UNCLOS bevat de bevoegdheid om op te treden tegen piraterij.

    Artikel 105 van het UNCLOS bevat de bevoegdheden aan de verdragsstaten. In dit artikel is – kort samengevat en voor zover hier van belang – bepaald, dat in volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige staat zijn gelegen, iedere staat een piratenschip in beslag mag nemen en de personen aan boord te arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen en dat iedere rechter van die staat kan beslissen over de op te leggen straffen. Deze verdragsbepaling voorziet aldus in een universele rechtsmacht voor de staat die tot aanhouding van piraterijverdachten overgaat.

    De UNCLOS-bepalingen beperken zich echter tot optreden van staten in volle zee en zijn dus niet zonder meer van toepassing binnen de territoriale wateren van Somalië.

    Verdergaande bevoegdheden om op te treden zijn evenwel te vinden in een aantal resoluties van de Veiligheidraad namelijk nummers 1816, 1838, 1846 1851 en 1950.

    In artikel 6, eerste en tweede lid van het SUA is voorts aangegeven in welke gevallen de staten rechtsmacht moeten of kunnen vestigen voor strafbare feiten waarop het verdrag betrekking heeft. In het vijfde lid van dit artikel is uitdrukkelijk bepaald dat het verdrag geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uitsluit.

    Ter ondersteuning van resolutie 1816 is de European Union Naval Coordination Cell (EU NAVCO) opgericht. Van belang is daarbij het ‘Gemeenschappelijk Optreden 2008/851/GBVB van de Raad van 10 november 2008 inzake de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust’.

    In deze regeling is onder meer opgenomen artikel 12 lid 1 dat aan een lidstaat de navolgende bevoegdheden geeft:

    “Op basis van de acceptatie van Somalië ten aanzien van de uitoefening van hun rechtsmacht door de lidstaten of derde Staten, enerzijds, en artikel 105 van VN-Zeerechtverdrag anderzijds, worden in de territoriale wateren van Somalië gevangen genomen personen die daden van piraterij of gewapende overvallen hebben begaan of hiervan verdacht worden, alsmede de goederen die tot uitvoering van deze daden gediend hebben,

    — overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de derde Staat die deelneemt aan de operatie waarvan het schip dat tot gevangenneming is overgegaan, de vlag voert, of

    — indien deze Staat zijn rechtsmacht niet kan of wil uitoefenen, aan een lidstaat of een derde Staat die die rechtsmacht wil uitoefenen ten aanzien van de bovengenoemde personen of goederen”.

    Op basis van bovenstaand juridisch kader concludeert het hof dat de Nederlandse overheid bevoegd is om zowel binnen als buiten de Somalische territoriale wateren op te treden tegen piraterij.

    Overigens merkt het hof op, dat zowel de term “zeeroof” als de term “piraterij” wordt gebruikt om de verweten gedragingen van de verdachten in deze zaak te omschrijven. Het begrip zeeroof wordt uitdrukkelijk genoemd in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht terwijl piraterij de letterlijke vertaling is van de Engelstalige term “piracy” in het UNCLOS-verdrag welke handelingen worden opgesomd in artikel 101 van dit verdrag. Het hof stelt vast dat de verschillen tussen deze twee termen van ondergeschikt belang zijn voor de juridische beoordeling van deze zaak en hanteert beide termen.

  6. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

    De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte nu er – kort gezegd -:

    (a) onvoldoende verdenking was om de verdachte aan te houden, terwijl

    (b) de beslissing tot verdere vervolging niet opportuun was en bovendien

    (c) in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel in strijd met het verbod van willekeur.

    Voorts zou volgens de verdediging sprake zijn van

    (d) schending van het recht op een eerlijk proces, alsmede van

    (e) (ernstige) vormverzuimen waardoor de rechten van de verdachte...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT