Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Utrecht, 21 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 december 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Utrecht
SAMENVATTING

Veroordeling in verband met cocaïnehandel en het bezit van MDMA. Het beroep op bewijsuitsluiting is door de rechtbank afgewezen.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656198-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1980] te [woonplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in PI Nieuwegein, HvB Nieuwegein te Nieuwegein

raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  1. in de periode 1 januari 2010 tot en met 25 augustus 2012 te [woonplaats] heeft gehandeld in cocaïne;

  2. op 25 augustus 2012 in het bezit was van negen en een halve pil bevattende MDMA.

    3 De voorvragen

    De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

    4 De beoordeling van het bewijs

    4.1 Het standpunt van de officier van justitie

    De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

    4.2 Het standpunt van de verdediging

    De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat - samengevat - bij het voorbereidend onderzoek het bepaalde in de artikelen 126nd en 126g van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is geschonden. De camerabeelden van de beveiligingscamera’s zijn namelijk door de politie bekeken respectievelijk aan de politie verstrekt zonder dat door de officier van justitie een vordering ex artikel 126nd Sv is ingediend en verdachte is stelselmatig geobserveerd zonder dat daartoe een bevel als bedoeld in artikel 126g Sv is verkregen. Beide verzuimen zijn naar de mening van de verdediging onherstelbaar en verdachte is hierdoor in zijn belangen geschaad, immers zijn recht op privacy is geschonden hetgeen een inbreuk oplevert op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ingevolge artikel 359a Sv dienen in een zodanig geval primair de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen te worden uitgesloten van het bewijs. Het betreffen, aldus de verdediging, de resultaten van de observaties van 23 augustus 2012 en 25 augustus 2012, de resultaten verkregen als gevolg van de aanhouding van verdachte, meer in het bijzonder al hetgeen in het bezit van verdachte is aangetroffen, het nader onderzoek naar de telefoon van verdachte en de verklaringen van de getuigen die zijn gehoord naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek naar de telefoons van verdachte.

    Uit het overige bewijsmateriaal blijkt naar de mening van de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Op grond van artikel 341 Sv kan het bewijs dat verdachte hetgeen ten laste gelegd heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op de opgaven van de verdachte.

    Om die reden dient, aldus de verdediging, vrijspraak te volgen.

    Mocht de rechtbank tot een ander oordeel komen, dan is de verdediging van mening dat de bewijsbare periode korter is dan is ten laste gelegd en dat verdachte slechts incidenteel en met grote tussenpozen heeft gehandeld.

    4.3 Het oordeel van de rechtbank

    Het beroep op bewijsuitsluiting

    Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen heeft de verdediging aangevoerd dat een aantal resultaten van het voorbereidend onderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs.

    De rechtbank overweegt als volgt.

    Op zaterdagavond 25 augustus 2012 bevonden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich in burger gekleed in Soest op een feestterrein aan de [adres] om toezicht te houden op de Soester Gildefeesten. De beveiliging van het feestterrein was in handen van de firma [X]. In en rondom de feesttent waren videocamera’s geplaatst voor het maken van opnamen. Zowel in het programmaboekje als bij de hoofdingang en in de tent was melding gemaakt van de aanwezigheid van videocamera’s.

    In de middag van 25 augustus 2012 was door een medewerker van de firma [X] al gesignaleerd dat er vermoedelijk cocaïne werd gesnoven in de feesttent. Een man werd daarop aangesproken, gaf het gebruik van cocaïne toe en werd verwijderd van het feestterrein. In de avond kwam de groep waarin die man zich eerder had bevonden weer in de feesttent voor het avondfeest, waarna die groep in de gaten werd gehouden onder meer via de aanwezige camera’s. Een persoon die achter de camera’s zat riep op enig moment dat een persoon in die groep kennelijk aan het dealen was. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd, bevonden zich op dat moment in de portocabin van de beveiliging en keken live de beelden mee. Verbalisant [verbalisant 1] herkende een persoon als zijnde [verdachte], verdachte. Verbalisanten zagen op het scherm waarop de beelden werden afgespeeld dat verdachte iets overgaf aan een persoon die later bleek te zijn [A]. Verbalisanten hoorden van een beveiliger dat hij eerder die dag een soortgelijke overdracht plaats had zien vinden. Vervolgens hebben beveiligers van het evenement verdachte naar buiten gebracht, waarna verdachte door politieagenten is aangehouden en gefouilleerd.

    Naar het oordeel van de rechtbank valt in het onderhavige geval het meekijken van de beelden door voornoemde verbalisanten onder de hen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT