Voorlopige voorziening van Centrale Raad van Beroep, 19 december 2012

Datum uitspraak:19 december 2012
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtbank terecht en met juistheid heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 22 november 2011, LJN BU6844. In die uitspraak is geoordeeld dat indien sprake is van een positieve verplichting niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht dient te worden genomen. Een positieve verplichting ten... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/6482 WWB-VV

12/6508 WWB-VV

12/6509 WWB-VV

12/6510 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker 1] (verzoeker 1)

[Verzoeker 2] (verzoeker 2)

[Verzoeker 3] (verzoeker 3)

[Verzoeker 4] (verzoeker 4)

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 april 2012, 11/1512 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2012. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof.

OVERWEGINGEN

  1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

    1.1. Verzoeker 1, geboren in 1975, heeft de Burundische nationaliteit en is in 2005 vanuit Burundi naar Nederland gevlucht. Op 29 september 2005 is aan verzoeker een verblijfsvergunning asiel verleend voor een periode van vijf jaar. De echtgenote van verzoeker alsmede zijn 2 minderjarige zonen, [A.] (geboren op [geboortedatum]) en [B.] (geboren op [geboortedatum]) en zijn pleegzoon [C.] (geboren op [geboortedatum]) hebben eveneens de Burundise nationaliteit en zijn op 22 november 2006 in Nederland aangekomen. De kinderen wonen bij verzoeker, de echtgenote van verzoeker woont sinds 20 november 2008 elders in Nederland en er loopt een echtscheidingsprocedure. Er is een omgangsregeling getroffen inhoudende dat de kinderen bij verzoeker 1 verblijven en dat de moeder een bezoekrecht heeft.

    1.2. Met ingang van 14 januari 2010 is de verblijfsvergunning asiel van verzoeker ingetrokken, welk besluit in hoger beroep bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 december 2010 onherroepelijk is geworden. Ook de aan de echtgenote van verzoeker verleende verblijfsvergunning asiel is ingetrokken, welk besluit eveneens onherroepelijk is geworden. Met de intrekking van de verblijfsvergunning van de echtgenote van verzoeker is ook de verblijfstitel van de kinderen vervallen. Op 29 maart 2011 is voor verzoekers opnieuw een aanvraag om verblijfsvergunning asiel gedaan. Deze aanvraag is bij besluit van 15 december 2011 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 april 2012 ongegrond verklaard. Verzoekers wonen in een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT