Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Utrecht, 21 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 december 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Utrecht
SAMENVATTING

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte heeft geholpen met het vervoeren van een ladder en verdachte heeft deze ladder vastgehouden terwijl de medeverdachten de woning van een oude man binnengingen. Tengevolge van het op de man toegepaste geweld is hij overleden. Verdachte heeft met zijn handelen zijn mededaders in de gelegenheid gesteld... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711513-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Nieuwegein, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, Nieuwegein,

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 november 2012 en 10 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met ander een (gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd), dan wel dat verdachte hieraan medeplichtig is geweest, dan wel dat verdachte samen met een ander een inbraak in de woning van [slachtoffer ] heeft gepleegd, dan wel dat hij daaraan medeplichtig is geweest, terwijl [slachtoffer ] na de inbraak in zijn woning is overleden, dan wel dat verdachte medeplichtig is geweest aan de poging tot inbraak.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meest meest subsidiair ten laste gelegde (medeplegen van poging tot diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend) heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn primaire standpunt aangevoerd dat verdachte weliswaar samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de ladder heeft vervoerd, maar dat van het vasthouden van die ladder bij de woning van het slachtoffer geen sprake is geweest. De vondst van het DNA-materiaal van verdachte op de doekjes die op de ladder zijn aangetroffen en de telefoongesprekken die zijn gevoerd ten tijde van de uitzending van Bureau Hengeveld kunnen op een andere manier dan de officier van justitie dat heeft gedaan worden verklaard. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn. Dat verdachte de ladder heeft vervoerd, maar niet heeft vastgehouden vindt bevestiging in de OVC-gesprekken, de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] en in het onderzoek naar de telecomgegevens. Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat van voorwaardelijk opzet in het geval van verdachte geen sprake is. Voorts is naar de mening van de raadsman geen sprake van medeplegen of medeplichtigheid. Verdachte dient daarom, naar de mening van de raadsman te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hooguit kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het uiterst subsidiair aan verdachte ten laste gelegde (medeplichtigheid aan poging tot diefstal met braak en inklimming in vereniging).

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het aantreffen van [slachtoffer ]

Op 19 juni 2011 is de 80-jarige [slachtoffer ] (verder: [slachtoffer ]) op de grond in de slaapkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen. De beide polsen van [slachtoffer ] waren met tierips (kabelbinders) aan elkaar gebonden. Deze tierips waren ook onderling kruislings aan elkaar verbonden door de tierips door elkaar te steken. De enkels van [slachtoffer ] waren met duct tape gebonden. De duct tape was om de enkels en ook tussen de benen door gewikkeld. Over de mond van [slachtoffer ] waren stroken duct tape geplakt. Deze stroken hebben de neusgaten van [slachtoffer ] niet geblokkeerd. Uit de neusgaten van [slachtoffer ] was bloed gelopen. Ook was er schuim zichtbaar in beide neusgaten. Het overlijden van [slachtoffer ] werd vastgesteld.

Tegen de zijgevel van de woning van [slachtoffer ] is een aluminium ladder aangetroffen die reikte tot het geopende slaapkamerraam van [slachtoffer ].

De doodsoorzaak

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer ] zijn bevindingen vastgesteld die passen bij een overlijden door verstikking door het afplakken van de mond (‘belemmering van de luchtwegen’) hetgeen heeft geleid tot algehele weefselschade door zuurstofgebrek. Daarnaast zijn bevindingen vastgesteld die passen bij het uitoefenen van geweld op de mond. Er zijn letsels aan tong en lippen gezien die bij leven zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch botsend, al dan niet gecombineerd met samendrukkend geweld op de mond zoals bij belemmeren of smoren met structuren zoals tape. Bij de sectie is geen andere oorzaak voor het overlijden gevonden. Uit de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek kan het overlijden van [slachtoffer ] niet worden verklaard.

4.3.1 Forensisch onderzoek

Onderzoek op de plaats delict (PD)

Onderzoek in en om de woning

Tijdens het forensisch onderzoek in en om de woning van [slachtoffer ] zijn geen sporen van braak aangetroffen. De benedenverdieping van de woning is onverstoord gebleken. Op de binnen- en buitenzijde van de raamkozijnen van de slaapkamer waarin [slachtoffer ] is aangetroffen, zijn handschoensporen gevonden. Deze sporen worden verklaard door het in- en uitklimmen via dit raam. Een aantal kamers op de bovenverdieping is doorzocht. In deze ruimten zijn eveneens handschoensporen gevonden. Deze sporen lijken terug te brengen tot de afdrukken van minimaal twee verschillende soorten handschoenen. Uit de woning zijn geen goederen of geldbedragen ontvreemd.

De ladder

De zoon van [slachtoffer ], getuige [getuige 3], heeft hierover verklaard dat hij een vreemde ladder zag staan toen hij bij de woning van zijn vader aankwam op 19 juni 2011. Op 18 juni 2011 om 22.30 stond deze ladder er nog niet. Een buurvrouw, getuige [getuige 4], heeft verklaard dat zij de ladder voor het eerst zag staan op 19 juni 2011 om 07.30 uur.

DNA-onderzoek

De ladder is veiliggesteld voor nader onderzoek. De ladder is eerst in zijn geheel binnen in de woning geplaatst, de twee uiteinden van de ladder zijn verwijderd en ingezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

Op de beide uiteinden van de ladder zijn microvezeldoekjes aangetroffen, die waren omwikkeld (vastgezet) met duct tape. Deze doekjes zijn eerst bemonsterd terwijl deze nog om de uiteinden van de ladder waren bevestigd. Van de beide uiteinden van de ladder zijn aanvankelijk de delen van de stukken textiel die niet door tape zijn bedekt, bemonsterd.

In van deze bemonsteringen, voorzien van de kenmerken AADO1068NL#01 (linkeruiteinde van de ladder) en AADO1069NL#01 (rechteruiteinde van de ladder), is respectievelijk een onvolledig DNA-mengprofiel en een complex DNA-mengprofiel gevonden.

Na verwijdering van de duct tape zijn de microvezeldoekjes in zijn geheel aan beide zijden bemonsterd (de sporen met kenmerken AADO1068NL# 04 en AADO1068NL#05 en AADO1069NL# 04 en AADO1069NL#05).

De bemonstering AADO1068NL#05 bevat een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT