Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Roermond, December 17, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/12/17
Uitgevende instantie::Rechtbank Roermond
SAMENVATTING

Minderjarige verdachte pleegt ontuchtige handelingen met 2 kinderen van bijna 6 jaar, betrouwbaarheid van getuigenverklaringen.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850383-11

Datum uitspraak : 17 december 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen de minderjarige verdachte:

[minderjarige verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [woonplaats], [adres].

  1. Het onderzoek van de zaak

    Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2012, voortgezet op 3 december 2012.

  2. De tenlastelegging

    De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

    hij op of omstreeks 14 oktober 2011 te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] 2005 en/of [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te weten het brengen of houden van zijn, verdachtes penis, in de mond van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2];

    (artikel 244 Wetboek van Strafrecht)

    althans indien ter zake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

    hij op of omstreeks 14 oktober 2011 te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], met [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] 2005 en/of [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig laten likken aan zijn penis door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2].

    (artikel 247 Wetboek van Strafrecht).

    Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

  3. De geldigheid van de dagvaarding

    Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

  4. De bevoegdheid van de rechtbank

    Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

  5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

    Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

  6. Schorsing der vervolging

    Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

  7. Bewijsoverwegingen

    7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

    De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 3 december 2012 gevorderd dat het onder primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. De officier van justitie heeft daarbij gesteld dat ook zonder DNA, in de verklaringen van beide kinderen die geloofwaardig/betrouwbaar zijn, voldoende bewijs aanwezig is om tot bewezenverklaring te komen. Het aangetroffen DNA-spoor van [slachtoffer 1] voegt enkel nog iets extra’s toe.

    De verdediging heeft - op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitaantekeningen - bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

    Kort samengevat stelt de raadsvrouw dat de verklaringen van beide slachtoffers te veel vragen oproepen, met name nu het erop lijkt alsof in het bijzijn van beide slachtoffers door ouders/familie is gesproken over een eerder voorval tussen verdachte en een nichtje, het oudere zusje van een van de slachtoffers.

    Daarnaast is er uitvoerig DNA-onderzoek gedaan en er is – buiten één speekselspoor aan de binnenzijde van de voorkant van de onderbroek van verdachte dat van het slachtoffer [slachtoffer 1] afkomstig kan zijn - geen DNA van slachtoffers gevonden noch DNA van verdachte bij de slachtoffers. Verdachte heeft voorts een plausibel verhaal voor de aanwezigheid van het DNA-spoor van [slachtoffer 1] in zijn onderbroek.

    7.2. Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

    De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd.

    In het bijzonder acht de rechtbank voor het onderdeel in de mond houden /nemen onvoldoende bewijs voorhanden in het procesdossier nu alleen [slachtoffer 2] hierover heeft gesproken bij gelegenheid van het studioverhoor op 25 oktober 2011, terwijl zijn moeder zegt dat [slachtoffer 2] gezegd heeft dat hij aan de piemel van verdachte had moeten likken.

    Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

    7.3. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

    De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

    De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

    De bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank.

    De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

    Op 14 oktober 2011 om 17:37 uur kwam er een melding bij de politie Roermond dat de dochter van 6 net seksueel misbruikt was door buurjongen van 18 jaar; ze had de piemel in de mond moeten steken.

    Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn naar aanleiding van deze noodhulpmelding naar het adres van de verdachte [minderjarige verdachte] op de [adres] te [woonplaats] gegaan. Verbalisant [verbalisant 2] liep de achtertuin in en trof daar verdachte bij een bromfiets die hij op het punt stond te starten. Verdachte werd meegedeeld dat hij was aangehouden ter zake een zedenmisdrijf.

    De aangifte van [moeder slachtoffer 1], de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1]:

    “Op vrijdag 14 oktober 2011 waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] buiten aan het spelen. Ik was friet aan het bakken. Ik hoorde gebonk op de voordeur. Ik deed de deur open en zag [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de deur staan. [slachtoffer 1] zei toen tegen mij: “Mama ik ben net bij [minderjarige verdachte] geweest, hij had snoepjes, het bleken geen snoepjes te zijn, maar de piemel”. Ik hoorde toen ook dat [slachtoffer 2] zei: “Ja dat was de piemel en die was heel vies”.

    Ik ben met [slachtoffer 1] op de bank gaan zitten en [slachtoffer 2] is terug naar zijn oma gelopen.

    Ik vroeg aan [slachtoffer 1]: “Wat is er nu allemaal gebeurd?”. [slachtoffer 1] zei toen: “Ik heb bij [minderjarige verdachte] een snoepje willen pakken, maar dat was zijn piemel, dat vond ik vies mama, dat mag niet”.

    Vanmorgen zei [slachtoffer 1] tegen mij: “Mama, ik hoef toch niet meer naar [minderjarige verdachte], die vieze spelletjes te doen”. (…) [slachtoffer 1] zei toen tegen mij: “[slachtoffer 2] heeft zo’n plasser en [minderjarige verdachte] heeft er zo een”. [slachtoffer 1] wees met haar vingers welke aangaf dat [slachtoffer 2] een hele kleine plasser had en dat [minderjarige verdachte] een hele grote plasser had.”

    Blijkens de hierna vermelde geboorteakte is [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum] 2005.

    “Akte van geboorte

    Aktenummer: [nummer]

    Geslachtsnaam: [slachtoffer 1]

    Voornamen: [voornaam slachtoffer 1]

    Dag van geboorte: [geboortedatum]2005.”

    De aangifte van [moeder slachtoffer 2], de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 2]:

    “Ik ben naar mijn moeder gelopen, ik zag toen de fiets van [slachtoffer 2] voor de woning van [minderjarige verdachte] liggen. Ik ging er toen vanuit dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] binnen waren bij mijn zus [zus moeder verdachte 2]. Op een gegeven moment, ik denk ongeveer 17:15 uur, kwam [vader slachtoffer 1] (de vader van [slachtoffer 1]) binnen. [vader slachtoffer 1] zei: ”Ik weet niet wat ik moet doen, de kinderen vertellen me wat”. Daarna vertelde [vader slachtoffer 1] mij dat de kinderen aan de piemel van [minderjarige verdachte] hadden moeten likken. Ik hoorde dat en het eerste wat bij me opkwam was om naar [minderjarige verdachte] te gaan. [slachtoffer 2] zei tegen mij dat hij een spelletje had gespeeld met [minderjarige verdachte] en dat hij de kop onder de theedoek had moeten houden en een snoepje had moeten proeven. Een snoepje was net als een spekje geweest, maar wel heel vies. Dat was de strekking van het verhaal.

    Ik ben met [slachtoffer 2] naar de woning van [minderjarige verdachte] gelopen. Ik ben achterom gelopen en toen ik de keuken in kwam zag ik [minderjarige verdachte] vanuit de woonkamer de keuken inlopen. Ik zei tegen [minderjarige verdachte]: “Waarom vertellen die kinderen tegen mij dat ze voor een snoepje jouw piemel moeten likken”. [minderjarige verdachte] reageerde hier niet op. [minderjarige verdachte] zei toen wel: “Ik heb ze wel een snoepje gegeven, ja”. [slachtoffer 2] stond op dat moment naast mij en [slachtoffer 2] zei tegen [minderjarige verdachte] dat ze ook met de theedoek moesten. [slachtoffer 2] zei ook dat hij het had geproefd, maar niet gezien had en [slachtoffer 1] had het wel gezien en geproefd. [minderjarige verdachte] zei toen dat het niet waar was. [slachtoffer 2] zei toen: ”Dat is wel waar”. [minderjarige verdachte] reageerde daar niet op en [slachtoffer 2] en ik zijn toen weer weggegaan. [slachtoffer 2] zei nog tegen mij: ”We liegen niet”.

    Blijkens de hierna vermelde geboorteakte is [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum] 2006.

    “Akte van geboorte

    Aktenummer...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT