Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Roermond, December 14, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/12/14
Uitgevende instantie::Rechtbank Roermond
SAMENVATTING

Het enkel aanbieden van financiële diensten is onvoldoende voor medeplichtigheid aan het doen van onjuiste belastingaangifte.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/990017-07

Datum uitspraak : 14 december 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats]

wonende te [adres en woonplaats]

  1. Het onderzoek van de zaak

    Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 september 2010, 27 september 2010, 25 oktober 2010, 26 oktober 2010, 27 oktober 2010, 28 oktober 2010, 29 oktober 2010, 1 november 2010, 2 november 2012, 5 november 2010, 10 januari 2011, 11 januari 2011, 12 januari 2011, 10 mei 2011, 22 mei 2012, 15 juni 2012, 19 september 2012, 2 oktober 2012, 6 november 2012 en 14 december 2012.

  2. De tenlastelegging

    De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging – kort samengevat – terecht ter zake dat:

    Primair:

    dat verdachte, als functioneel dader van zijn bedrijf [bedrijf verdachte]. en/of als natuurlijk persoon, tezamen en in vereniging met een aantal met name genoemde relaties opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting over een reeks van jaren heeft gedaan. In casu wordt verdachte medeplegen verweten.

    Subsidiair:

    dat een aantal met name genoemde relaties opzettelijk onjuiste aangiften inkomensbelasting en/of vermogensbelasting over een reeks van jaren heeft gedaan, waarbij verdachte, als functioneel dader van zijn bedrijf [bedrijf verdachte]. en/of als natuurlijk persoon, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest. In casu wordt verdachte medeplichtigheid verweten.

    Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

  3. De geldigheid van de dagvaarding

    De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder primair ten laste gelegde nietig is, aangezien in die onderdelen van de tenlastelegging niet nader wordt omschreven waaruit het medeplegen van verdachte heeft bestaan. Om die reden is niet duidelijk welk feitelijk handelen verdachte verweten wordt zodat hij niet weet tegen welk verwijt hij zich heeft te verweren. De tenlastelegging schiet tekort in de vereiste duidelijkheid, waardoor de tenlastelegging nietig is wegens strijd met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

    De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer van de verdediging. Daartoe heeft de officier van justitie verwezen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat de tenlastelegging in combinatie met het procesdossier gelezen en geïnterpreteerd dient te worden. In dat licht is het ten laste gelegde in voldoende mate omschreven en heeft verdachte op basis daarvan ook kunnen begrijpen wat hem wordt verweten.

    De rechtbank overweegt als volgt.

    Met betrekking tot het niet nader omschrijven in de tenlastelegging waaruit het medeplegen van de verdachte heeft bestaan, is de rechtbank van oordeel dat de woorden “tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of één of meer natuurlijke personen” de feitelijke omschrijving vormen van het begrip medeplegen. Noch uit artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering noch uit de jurisprudentie volgt dat de handelingen die een medepleger heeft verricht nader moeten worden omschreven in de tenlastelegging. Bovendien overweegt de rechtbank dat het de verdediging na kennisneming van de inhoud van de tenlastelegging - tegen de achtergrond van het onderliggende procesdossier - voldoende duidelijk zou moeten zijn waartegen de verdachte zich heeft te verdedigen. Gelet op hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, heeft de verdediging er blijk van gegeven dit ook goed te hebben begrepen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging niet in de vereiste duidelijkheid tekortschiet, zodat aan de eis van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

    Voor het overige is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

  4. De bevoegdheid van de rechtbank

    Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

  5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

    5.1 Redelijke termijn

    Het standpunt van de verdediging

    De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Ter onderbouwing heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat in onderhavige zaak deze termijn is aangevangen op 5 april 2006, zijnde de datum waarop verdachte voor de eerste keer is verhoord door de FIOD-ECD. Hoewel verdachte destijds is gehoord als getuige in het strafrechtelijk onderzoek tegen onder andere [werknemer 2] en [werknemer 1], is hem ter gelegenheid van dit verhoor medegedeeld dat hij geen verklaring hoefde af te leggen indien hij zichzelf zou moeten belasten. Voorts is hem daarbij gevraagd naar het beleggen via banken in het buitenland, de vestiging van [bedrijf verdachte] in België, het verzwijgen van vermogen door cliënten voor de Belastingdienst en de werkzaamheden van [werknemer 1]. Daaruit kan worden afgeleid dat de verdenking tegen verdachte reeds op 5 april 2006 bestond en verdachte vanaf dat moment redelijkerwijs kon opmaken verdachte te zijn. Sedertdien zijn zes jaar en vijf maanden verstreken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden, waaronder de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde of de ingewikkeldheid van de zaak die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen.

    Het standpunt van de officier van justitie

    De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is gaan lopen op 18 september 2007, zijnde de datum waarop bij verdachte doorzoekingen hebben plaatsgevonden. Het verhoor waarnaar de raadsman verwijst betreft een getuigenverhoor en geen verdachtenverhoor en is niet aan te merken als een handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met een periode van drie jaar en twee maanden. Daarbij dient echter te worden meegewogen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, te weten de ingewikkeldheid van de zaak, de omvang van het strafdossier en de vele onderzoekshandelingen (waaronder een groot aantal getuigenverhoren).

    Het oordeel van de rechtbank

    De rechtbank stelt voorop dat op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk kan worden gemaakt door een te groot tijdsverloop gelegen tussen – kort gezegd – het begin van de vervolging en het uiteindelijke vonnis. Voormelde termijn gaat lopen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

    De raadsman heeft betoogd dat het verhoor op 5 april 2006 als zodanige handeling is aan te merken. Nu verdachte echter op 5 april 2006 is gehoord als getuige in het onderzoek tegen onder andere [werknemer 1] en [werknemer 2], is de rechtbank van oordeel dat dit verhoor niet kan worden aangemerkt als een handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Het enkele gegeven dat verdachte is gevraagd naar zaken die in het onderhavige onderzoek ook van belang zijn alsmede dat hem is medegedeeld dat hij zichzelf niet hoeft te belasten maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank nam de redelijke termijn eerst een aanvang met de doorzoeking van het pand van [bedrijf verdachte] en de woning van verdachte op 18 september 2007. Sedertdien is een onredelijk lange termijn is verstreken. Anders dan de raadsman leidt dit naar oordeel van de rechtbank, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de opgelegde straf in geval de rechtbank daaraan toekomt.

    5.2 Gelijkheidsbeginsel

    Het standpunt van de verdediging

    Voorts heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, aangezien de beslissing tot vervolging in strijd is geweest met het gelijkheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 1 van de grondwet, dan wel met artikel 14 van het EVRM. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de handelingen die verdachte blijkens de tenlastelegging in het kader van de medeplichtigheid worden verweten ook door grote banken worden uitgevoerd. Immers ook grootbanken traden en treden - lang voor en nadat [bedrijf verdachte] met de betreffende activiteiten was opgehouden - aldus voor Nederlandse rekeninghouders op door al dan niet buitenlandse coderekeningen te voeren. Er is geen rechtvaardiging voor het feit dat de directies van de grootbanken met dat handelen wegkomen en verdachte ter zake wordt vervolgd.

    Bovendien heeft de raadsman zich beroepen op het sepot in de zaak van [getuige 1], zijnde de zoon van verdachte, die aanvankelijk ook als verdachte in onderhavig onderzoek was aangemerkt. Hij heeft ter gelegenheid van het verhoor uitgebreid verklaard over zijn taak en positie in de organisatie van [bedrijf verdachte] . Het is ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel om verdachte te vervolgen en [getuige 1] niet.

    Het standpunt van de officier van justitie

    De officier van justitie heeft...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT