Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank 's-Gravenhage, Haarlem, 27 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:27 december 2012
Uitgevende instantie::Haarlem
SAMENVATTING

Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit, heeft zich in Iran bekeerd tot het christendom en heeft aldaar huiskerken bezocht. Dit wordt door verweerder niet betwist. De uitleg die het Hof van Justitie in zijn arrest van 5 september 2012 aan artikel 2, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geeft, verzet zich naar het oordeel van de rechtbank ertegen dat verweerder in het voorliggende geval van ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/19981

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 december 2012 in de zaak tussen

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Tromp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

Den Haag).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 september 2012 heeft verweerder de rechtbank verzocht om naar aanleiding van het door eiser in de beroepsgronden aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11 (Duitsland tegen Y en Z) in de gelegenheid te stellen binnen een termijn van vier tot zes weken een schriftelijke reactie in te dienen. Dat verzoek, dat door de rechtbank tevens is begrepen als een verzoek om aanhouding van het onderzoek ter zitting, heeft de rechtbank afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Op 9 juli 2009 werd eiseres opgepakt tijdens een deelname aan een demonstratie naar aanleiding van de presidentsverkiezingen. Zij werd drie dagen vastgehouden en werd daarbij slecht behandeld. Na drie dagen is zij na het ondertekenen van een verklaring vrijgekomen. Eiseres was er psychisch slecht aan toe. In de herfst van 2009 is eiseres met haar in Nederland verblijvende en tot het christendom bekeerde zus in gesprek gekomen over het christendom. Vanaf de winter van 2009 gelooft eiseres in het Heilige Boek. In de lente van 2010 komt zij er naar aanleiding van een discussie op school over geloof achter dat haar studiegenoot, [naam], bekeerd is. Via hem komt eiseres nog meer in contact met het christendom en met bijeenkomsten in huiskerken. In de herfst van 2010 bezocht eiseres voor de eerste keer een huiskerk. In totaal heeft eiseres ongeveer tien keer deelgenomen aan huiskerkbijeenkomsten. Haar laatste bezoek was ongeveer vier tot vijf maanden geleden. In december 2011 is zij voor familiebezoek naar Nederland gekomen. Een week voordat zij terug zou keren naar Iran, heeft eiseres van haar moeder vernomen dat er op 26 januari 2012 een inval heeft plaatsgevonden en dat onder andere haar bijbel en laptop in beslag zijn genomen. Nu de autoriteiten op de hoogte zijn van haar bekering, vreest eiseres de ergste straf.

  2. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft verweerder, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

    Eiseres heeft de inval van 26 januari 2012 niet aannemelijk gemaakt en verder niet aannemelijk gemaakt dat zij in Iran vanwege haar christelijke geloofsovertuiging problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of medeburgers. Gelet hierop zijn er geen aanwijzingen dat eiseres thans te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76; het Vluchtelingenverdrag). Uit de door eiseres overgelegde algemene informatie over de positie van christenen en bekeerlingen in Iran kan niet worden afgeleid dat de situatie van christenen in Iran dusdanig is dat zij bij...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT