Eerste aanleg - meervoudig van Centrale Raad van Beroep, January 10, 2013

Datum uitspraak:2013/01/10
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Weigering appellant met een vervolgde gelijk te stellen. Zijn psychische klachten houden niet in overwegende mate verband met de vervolging en de daardoor ontstane klachten van zijn moeder.

 
GRATIS UITTREKSEL

11/3758 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B.]

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak 10 januari 2013.

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de

- voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 mei 2011, kenmerk BZ01271827 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Unger, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

  1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1. Appellant is geboren in 1954 en zijn moeder is erkend als vervolgingsslachtoffer in de zin van de Wuv. Bij besluit van 25 september 1992 heeft verweerder geweigerd appellant met een vervolgde gelijk te stellen, op de grond dat zijn psychische klachten niet in overwegende mate verband houden met de vervolging en de daardoor ontstane klachten van zijn moeder. Dit standpunt was gebaseerd op het advies van geneeskundig adviseur E.C. Wijnvoord, arts, van 15 september 1992. Deze arts was van mening dat bij appellant sprake was van schizofrenie, maar dat deze duidelijk uit andere oorzaken was ontstaan.

    1.2. In juli 2010 heeft appellant verweerder verzocht om het besluit van 25 september 1992 te herzien. Daarbij heeft hij een rapport overgelegd van de psychiater M. van Berkel van 12 april 2010, waarin onder meer is vermeld dat ten tijde van het verrichte psychiatrisch onderzoek sprake was van een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, narcistische, theatrale, obsessief-compulsieve en afhankelijke trekken. Verweerder heeft het verzoek van appellant bij besluit van 1 november 2010 afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft verweerder bij het bestreden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT