Voorlopige voorziening van Centrale Raad van Beroep, 21 januari 2013

Datum uitspraak:21 januari 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Verzoeken om voorlopige voorziening. Spoedeisend belang aanwezig nu de aangevallen uitspraak meebrengt dat betrokkene tewerkgesteld moet worden in haar eigen functie. Er is voldoende reden om het verzoek van het bestuur toe te wijzen. In aanmerking genomen dat het verzoek van het bestuur wordt toegewezen, valt reeds daarom niet in te zien dat betrokkene nog enig spoedeisend belang heeft bij het... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/6321 AW-VV, 12/6686 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening

Partijen:

het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's (bestuur)

[A. te B.]

Datum uitspraak 21 januari 2013.

PROCESVERLOOP

Het bestuur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 29 oktober 2012, 12/373 (aangevallen uitspraak).

Het bestuur heeft tevens een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen.

Het bestuur heeft betrokkene bij besluit van op 16 november 2012 geschorst tot aan de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt en aan de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het verzoek van betrokkene doorgezonden naar de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2013. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kragten en mr. H.T. Wolven. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. K.E. de Vries, advocaat.

OVERWEGINGEN

  1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

  2. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

    2.1. Betrokkene, in vaste dienst aangesteld in de functie van medewerker [naam functie], heeft zich na een incident op 3 februari 2011 ziekgemeld. Dit incident betrof een mondelinge waarschuwing door haar leidinggevende dat zij onder werktijd teveel tijd besteedde aan haar privé aangelegenheden. Betrokkene voelde zich daarbij onheus bejegend en heeft het gesprek geëmotioneerd beëindigd. In overleg met betrokkene is op 17 maart 2011 besloten dat zij tijdelijk andere werkzaamheden zal gaan verrichten in het [naam onderdeel] van het waterschap in [vestigingsplaats]. Tegelijk zullen gesprekken volgen ten behoeve van re-integratie in het eigen werk. Daarbij is ook meegedeeld, dat het niet slagen van de re-integratie zal leiden tot toepassing van het bovenformatieve beleid met interne c.q. externe uitstroom oriëntatie, hetgeen begeleiding naar ander werk betekent.

    2.2. Op 16 juni 2011 heeft de arbeidskundige/mediator de opdracht tot bemiddeling tussen betrokkene en haar leidinggevende teruggegeven. Uit een gesprek op 20 juli 2011 van onder meer twee leidinggevenden met betrokkene over de mogelijkheid van terugkeer naar de eigen functie heeft het bestuur afgeleid dat betrokkene het zonder erkenning door haar leidinggevende van de onjuistheid van zijn bejegening op 3 februari 2011 onmogelijk acht om in haar eigen functie te hervatten. Betrokkene voelt zich dan onveilig en niet vertrouwd.

    2.3. Bij besluit van 28 juli 2011 is overwogen, dat betrokkene ongeschikt is voor haar functie omdat zij zich niet in staat acht tot terugkeer naar die functie, terwijl het bestuur niet gebleken is van een objectieve reden daarvoor. Ingevolge het geldende beleid zal gedurende een jaar gezocht...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT