Voorlopige voorziening+bodemzaak van Rechtbank 's-Gravenhage, Voorzieningenrechter, December 20, 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2012/12/20
Uitgevende instantie::Voorzieningenrechter
SAMENVATTING

Met het besluit op de asielaanvraag heeft verweerder het asielverzoek in behandeling genomen in de zin van art. 2, aanhef en onder e, van de Verordening nu verweerder hiermee als bevoegde instantie over een asielverzoek overeenkomstig het nationaal recht heeft beslist. Van een uitzondering in de zin van een procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepalingen van deze... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/18418 (voorlopige voorziening)

AWB 12/18417 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2012 in de zaak tussen

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. mr. J.V. van Vegten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2012. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

  3. Verweerder heeft in zijn brief van 3 december 2012 en ter zitting primair gesteld dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat is gebleken dat eiser op 26 juli 2012 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft bij zijn brief een formulier “M100 Bericht van vertrek” gedateerd 31 juli 2012 gevoegd.

    4.1 De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT