Voorlopige voorziening+bodemzaak van Rechtbank 's-Gravenhage, Haarlem, 21 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 december 2012
Uitgevende instantie::Haarlem
SAMENVATTING

Verzoekster is de toegang geweigerd op grond van artikel 3 Vw in samenhang met artikel 13 van de Schengengrenscode. Verzoekster voert aan dat haar ten onrechte op grond van artikel 13 Schengengrenscode de toegang is geweigerd. De voorzieningenrechter overweegt dat in het geval van asielzoekers, zoals verzoekster, de toegangsweigering op grond van artikel 13 Schengengrenscode niet anders kan worden begrepen dan de verdere toegang. Een andere lezing van dit artikel zou immers in strijd zijn met voormelde bijzondere bepalingen inzake het asielrecht, in dit geval de Procedurerichtlijn. In navolging van de uitspraak van deze rechtbank en... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/37451 (voorlopige voorziening)

AWB 12/37450 (beroep)

AWB 12/37422 (vrijheidsontneming)

AWB 12/38519 (voorlopige voorziening toegangsweigering)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 21 december 2012 in de zaak tussen

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, verblijvende in het Uitzetcentrum Schiphol,

verzoekster,

(gemachtigde: M. Timmer, advocaat te ‘s-Gravenhage),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigden: mr. C. Brand en drs. H.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 12/37450). Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 12/37451). Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot de rechtbank op het beroep heeft beslist.

De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 18 november 2012 aan verzoekster op grond van artikel 13 van de Verordening nr. 562/2006 van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode) de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van 18 november 2012 aan haar op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij besluit van 28 november 2012 de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Verzoekster heeft op 28 november 2012 beroep ingesteld tegen de oplegging en voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel (AWB 12/37422) en verzocht om schadevergoeding.

Verzoekster heeft op 28 november 2012 administratief beroep ingesteld tegen de toegangsweigering. Zij heeft op 9 december 2012 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 12/38519). Zij verzoekt de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van de toegangsweigering op te schorten en verzoekster te behandelen als ware de verdere toegang niet geweigerd hangende de beslissing op het administratief beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012, waarbij verzoekster is gehoord in het kader van het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel, en op 18 december 2012. Verzoekster is steeds verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Asielaanvraag (AWB 12/37451 en 12/37450)

  1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

  3. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar asielaanvraag het volgende aangevoerd. Verzoekster werd door haar vader gedwongen uitgehuwelijkt aan een vriend van haar vader die ouder is dan zestig jaar, genaamd [naam]. Verzoekster stelt te vrezen dat zij bij terugkeer door haar vader, die een hooggeplaatste positie binnen de Koerdische Democratische Partij (hierna: KDP) zou hebben, zal worden vermoord op grond van eerwraak en dat zij geen bescherming zou kunnen krijgen van de Iraakse autoriteiten.

  4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen op de volgende gronden. Verweerder werpt verzoekster de omstandigheden bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegen, omdat zij toerekenbaar ongedocumenteerd is inzake haar nationaliteit, identiteit en reisroute. Het asielrelaas van verzoekster is ongeloofwaardig omdat haar verklaringen positieve overtuigingskracht missen. Verzoekster komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw.

  5. Verzoekster heeft aangevoerd dat bij het eerste en nader gehoor door verweerder geen gebruik is gemaakt van een tolk van het Bureau beëdigde tolken en vertalers (hierna: registertolk), terwijl er vijf tolken Sorani geregistreerd zijn en er negen tolken op de zogeheten uitwijklijst staan.

    5.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat verweerder een eigen tolkenbestand beheert waarin ook registertolken staan. Deze tolken worden bij voorkeur ingezet. In het tolkenbestand van verweerder zijn eveneens tolken opgenomen die niet in het register vermeld staan. Het betreft hier vaak tolken in minder gangbare talen. Verweerder kan op grond van artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv) in het geval een registertolk niet beschikbaar is gebruik maken van een niet-registertolk. Verweerder is daarbij niet verplicht gebruik te maken van de zogeheten uitwijklijst. De tolken die verweerder op de eigen tolkenlijst heeft staan, niet zijnde registertolken of tolken van de uitwijklijst, voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als de tolken die op de uitwijklijst staan.

    5.2 Na vragen ter zitting heeft verweerder schriftelijk op 19 december 2012 te kennen gegeven dat het register vijf tolken in de taal Sorani bevat. Twee tolken worden niet door verweerder gebruikt, een vanwege zijn leeftijd en de andere vanwege hem moverende redenen. De overige drie tolken staan op de lijst van tolken die verweerder gebruikt.

    5.3 De gemachtigde van verzoekster heeft hierop op 20 december 2012 gereageerd. Aangevoerd wordt dat niet valt in te zien waarom verweerder geen gebruik maakt van een registertolk. Onduidelijk is of en zo ja hoeveel van de op de uitwijklijst geplaatste tolken Sorani op de IND tolkenlijst staan.

    5.4 Artikel 28 Wbtv luidt, voor zover van belang, als volgt:

  6. De volgende diensten en instanties maken in het kader van het strafrecht en het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers:

    1. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

    2. de tot de rechterlijke macht behorende gerechten;

    3. het Openbaar Ministerie;

    4. de Immigratie- en Naturalisatiedienst;

    5. de politie;

    6. de Koninklijke Marechaussee

  7. (..)

  8. In afwijking van het eerste en tweede lid kan gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.

  9. Indien van het eerste of tweede lid wordt afgeweken wordt dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd.

    In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 januari 2012 (LJN:BV2899) wordt, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wbtv, overwogen dat de wet de kwaliteit en integriteit van tolken beoogt te waarborgen en dat afwijking van de verplichting om een geregistreerde tolk in te schakelen daarom zorgvuldigheidshalve schriftelijk en voorzien van een motivering dient te worden vastgelegd, zodat in het vervolg van de procedure duidelijk is wie als tolk is opgetreden.

    5.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat op het voorblad van het eerste en nader gehoor is aangegeven dat niet gebruik is gemaakt van een register tolk omdat deze niet tijdig beschikbaar was. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit, ter zitting en na de zitting gemotiveerd waarom geen gebruik gemaakt kon worden van een registertolk en geen gebruik gemaakt is van een tolk van de uitwijklijst en tevens aangegeven aan welke kwaliteitseisen de door verweerder gebruikte tolken moeten voldoen. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan het vereiste...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT