Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank 's-Gravenhage, 20 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:20 december 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank 's-Gravenhage
SAMENVATTING

Jeugdstraf, promis, branndstichting, openlijk geweld, vernieling, bedreiging en poging tot bedreiging, poging zware mishandeling, eendaadse samenloop (driehoeksverhouding), psychische overmacht niet aangenomen, geen belang Salduz-verweer, geen rekening met niet horen verdachte door politie in één zaak. GBM geadviseerd en geeist, voorwaardelijke PIJ opgelegd, dadelijke uitvoerbaarheid bevolen (gemo... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/752033-12

Datum uitspraak: 20 december 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats A] op [datum] 1995,

thans gedetineerd in Forensisch Behandelcentrum Amsterbaken te Amsterdam.

  1. Het onderzoek ter terechtzitting

    Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 december 2012, na aangehouden te zijn ter terechtzitting van 13 september 2012.

    De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. R. Dijkstra, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

  2. De tenlastelegging

    Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

  3. hij, op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats B], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, in elk geval alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning gelegen [adres], immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar

    - opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een zogenaamde lawinepijl / zwaar vuurwerk (categorie IV), althans met een brandbare stof en/of

    - deze lawinepijl/brandbare stof door/in de brievenbus van voornoemde woning gegooid en/of gebracht,

    - waardoor/waarna die lawinepijl/brandbare stof is ontploft, in elk geval waardoor een ontploffing teweeg werd gebracht en/of

    - waardoor (een) ruit(en) werd(en) vernield en/of een of meer kledingstukken en een handdoek in brand is/zijn geraakt, in elk geval in die woning (een begin van) brand is ontstaan,

    terwijl in die woning mw. [slachtoffer A], haar echtgenoot en haar zoon aanwezig

    was/waren en/of lag(en) te slapen,

    door welke brand en/of ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor genoemde personen te duchten was en/of door welke ontploffing en/of brand gevaar voor genoemde woning en/of het interieur en/of goederen binnen die woning en/of de aangrenzende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

    art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

  4. hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats B], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (aan de voorzijde van de woning gelegen aan de [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een steen (deel van een trottoirband) door die ruit te gooien;

    art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

    art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

  5. hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats B], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen en/of personen, welk geweld bestond uit

    - het aansteken van een zogenaamde lawinepijl (althans zwaar vuurwerk) en/of het gooien/brengen van deze lawinepijl door/in de brievenbus van voornoemde woning, waardoor/waarna die lawinepijl is ontploft, en/of

    - het gooien van een steen (deel van een trottoirband) door de ruit van voornoemde woning,

    terwijl in die woning mw. [slachtoffer A], haar echtgenoot en haar zoon aanwezig was/waren en/of lag(en) te slapen;

    art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

    art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

  6. hij in of omstreeks de periode van [datum] 2011 tot en met [datum] 2012 te [plaats C] en/of [plaats B], althans in Nederland (meermalen) [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens)met dat opzet

    die [slachtoffer B]

    - één of meer kaart(en) gestuurd met daarop de tekst "bedankt nog!" en/of "Ik ben je nog niet vergeten" en/of "fijne feestdagen & vooral een gezond 2012" en/of "kanjer, ik schiet je wel dood"

    en/of

    - gebeld en toen gezegd "je bent een verrader" en/of "Ik ga je grijpen en ik snij je kop eraf", althans woorden van dergelijke dreigende aard en strekking

    (dit terwijl die [slachtoffer B] een belastende verklaring tegen verdachte heeft afgelegd in een andere strafzaak);

    art 285 Wetboek van Strafrecht

    en/of

    hij in of omstreeks de periode van [datum] 2011 tot en met [datum] 2012 te [plaats C] en/of [plaats B], althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer B] te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, met dat opzet die [slachtoffer B] een kaart heeft gestuurd met daarop de tekst "kanjer, ik schiet je wel dood", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

    artikel 285 / 45 Wetboek van Strafrecht

  7. hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats D] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer C], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer C] in de nek heeft getrapt en/of tegen de linkerslaap en/of de rechterslaap, althans in het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

    art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

    art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

    subsidiair:

    hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats D], opzettelijk [slachtoffer C] in de nek heeft getrapt en/of tegen de linkerslaap en/of de rechterslaap, althans in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

    art 300 Wetboek van Strafrecht

  8. Bewijsoverwegingen

    3.1 Inleiding1

    ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

    Op [datum] 2012 zijn bij aangeefster [slachtoffer A] een steen (een deel van een trottoirband2) door een raam aan de voorzijde3 en een explosief door de brievenbus van haar woning aan de [adres] te [plaats B] naar binnen gegooid4, waarna een handdoek en een jasje, die achter de voordeur aan een rek hingen, brandden.5 Door de explosie zijn drie ramen van de voordeur beschadigd.6

    De aangeefster, haar man en haar zoon lagen op dat moment in deze woning boven in bed. Zij lagen te slapen.7

    De politie heeft geconcludeerd dat het aannemelijk is dat er van buiten een steen door het raam naar binnen is gegooid en dat er een brandend stuk vuurwerk via de briefplaat van de voordeur naar binnen is gebracht.8

    De resten van het vuurwerk zijn herkend als resten van een signalrakete Zinkno. 901, in Nederland bekend onder de naam lawinepijl. Afhankelijk van de exacte plaats van treffen kan het tot ontploffing komen van een signaalraket in direct contact ernstig lichamelijk tot dodelijk letsel opleveren.9

    De getuige [getuige 1] heeft kort nadat hij een harde klap hoorde, twee jongens voorbij zijn raam aan de [adres] in [plaats B] zien rennen.10

    De verdachte heeft zich ten aanzien van deze feiten steeds beroepen op zijn zwijgrecht.

    ten aanzien van feit 4

    De aangever [slachtoffer B] heeft in de periode november 2011 tot en met [datum] 2012 een aantal kaarten gekregen.11 Op de eerste kaart stond een poppetje met gevangeniskleren en de tekst THNX! Op de tweede kaart stond wederom een poppetje in gevangeniskleren en hierop stond de tekst "Ik ben je nog niet vergeten. Fijne feestdagen & vooral een gezond 2012".

    De laatste kaart die hij heeft ontvangen is niet geopend, maar direct ingeleverd bij de recherche te Noordwijk.12 Op deze kaart stond de tekst "Kanjer, ik schiet je wel dood".13

    De verdachte heeft ter terechtzitting bekend deze kaarten aan de aangever te hebben gestuurd.

    De aangever heeft daarnaast verklaard op [datum] 2012 gebeld te zijn vanaf een onbekend nummer en een jongensstem gehoord te hebben die zei: "Je bent een verrader" en "Ik ga je grijpen en ik snij je kop eraf".14

    De verdachte heeft ontkend dit feit te hebben gepleegd.

    ten aanzien van feit 5

    Op [datum] 2012 is [slachtoffer C) in [plaats D] door de verdachte tweemaal tegen zijn gezicht geslagen.15

    De verdachte heeft ter terechtzitting bekend de aangever tweemaal in zijn gezicht te hebben geslagen.

    De aangever heeft daarnaast verklaard door de verdachte te zijn geschopt in zijn nek.16

    Dit heeft de verdachte ter terechtzitting ontkend.

    3.2 Het standpunt van de officier van justitie

    Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

    De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachte [medeverdachte], schuldig heeft gemaakt aan het brengen van deze brandende lawinepijl in de brievenbus alsmede aan het gooien van een stuk van de trottoirband door de ruit van de woning van de aangeefster.

    Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het chatgesprek tussen de verd[kennis 1]e en [kennis 1] op [datum] 2012, de historische gegevens van de telefoon van de verdachte en het overzicht van de pingchats van de verdachte volgt dat de verdachte (en zijn mededader) na 21.10 uur naar [plaats B] zijn gereden en dat zij rond 21.45 uur op de terugweg waren[plaats F]]

    Voorts blijkt naar de mening van de officier van justitie uit het telefoongesprek van [kennis 1] en de medeverdachte [medeverdachte] op [datum] 2012, en uit het feit dat eenzelfde latje als behoort bij een vuurpijl bij de auto van de medeverdachte is aangetroffen, en uit het chatgesprek van [kennis 2] met de verdachte waarin gesproken wordt over een cobra en "gisteren was het menens", en uit het aangetroffen DNA-spoor op het deel van de trottoirband in de woning van de aangeefster, dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, samen met zijn mededader [medeverdachte], heeft gepleegd.

    Ten aanzien van feit 4

    De officier van justitie heeft zich op het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT