Verzet van Centrale Raad van Beroep, 15 februari 2013

Datum uitspraak:15 februari 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Verzet ongegrond. Niet tijdige betaling griffierecht. Of het LDCR appellante wel of niet voldoende heeft geïnformeerd, maakt niet uit. Daarin is geen rechtvaardiging gelegen voor het feit dat appellante het punt van het griffierecht na haar contact met het LDCR op zijn beloop heeft gelaten.

 
GRATIS UITTREKSEL

12/2571 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 maart 2012, 11/896 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Goes

Datum uitspraak: 15 februari 2013

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 18 september 2012 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 18 september 2012 heeft mr. C.C.W.G.M. Janssens, advocaat, namens appellante verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 januari 2013, waar partijen - appellante met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 september 2012 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

Bij brief van 10 mei 2012 is appellante in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen vier weken te betalen. Binnen de gestelde termijn heeft appellante telefonisch contact opgenomen met het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), dat sinds enige tijd met de feitelijke heffing en inning van het griffierecht is belast. Bij brief van 8 juni 2012 is appellante in de gelegenheid gesteld de gronden van het hoger beroep in te dienen. Vervolgens heeft zij zich tot mr. Janssens gewend. Bij brief van 11 juni 2012 is appellante opnieuw in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen vier weken (dus: uiterlijk op 9 juli 2012) te betalen. Bij faxbericht van 3 juli 2012 heeft mr. Janssens zich als gemachtigde van appellante gesteld en de gronden van het hoger beroep ingediend. Op 23 juli 2012 heeft mr. Janssens over het griffierecht navraag gedaan bij het LDCR en bij de Raad. Door middel van een spoedoverboeking is het griffierecht op 23 juli 2012 betaald.

In verzet is aangevoerd dat appellante aan het LDCR heeft laten weten dat zij de brief van 10 mei 2012 niet begreep en dat het LDCR heeft nagelaten haar uitleg te geven. De ontvangst van de brief van 11 juni 2012 kan appellante zich niet herinneren. Om die reden heeft zij, toen zij...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT