Verzet van Centrale Raad van Beroep, 15 februari 2013

Datum uitspraak:15 februari 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Verzet ongegrond. Het beroepschrift is niet tijdig ingediend. Termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

 
GRATIS UITTREKSEL

12/3700 WUBO-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet in verband met het geding tussen:

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet van 8 november 2012 heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van de Svb van 10 mei 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 8 november 2012 heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 28 januari 2013. Appellant is verschenen. De Svb is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 8 november 2012 berust op de overwegingen dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Vaststaat dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De laatste dag waarop tijdig een beroepschrift kon worden ingediend, was 21 juni 2012. Het beroepschrift is gedateerd 30 mei 2012. De enveloppe waarin het per post is bezorgd, draagt het poststempel 29 juni 2012. Het beroepschrift is op 2 juli 2012 bij de Raad ontvangen.

In het verzetschrift heeft appellant aangevoerd dat hij door een beroerte gedeeltelijk verlamd is aan zijn rechterarm en rechterbeen. Hij heeft soms een terugval die vier tot zes weken duurt, waardoor hij niet in staat is administratieve of andere werkzaamheden te verrichten. Het beroepschrift heeft hij eind mei 2012 geschreven, maar hij is toen niet in staat geweest het te posten.

Ter zitting heeft appellant opnieuw zijn medische situatie beklemtoond. Verder heeft hij verklaard dat hij het beroepschrift wellicht aan een vriend heeft meegegeven om het ter post te bezorgen, maar dat deze vriend het beroepschrift in de auto heeft laten liggen. Appellant kan dit echter niet met zekerheid zeggen.

De Raad is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellant vanaf het moment van het schrijven van het beroepschrift eind mei 2012 tot en met de laatste dag van de beroepstermijn (21 juni 2012) niet in staat is geweest het beroepschrift zelf ter post te bezorgen of dit door iemand...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT