Herziening van Centrale Raad van Beroep, February 15, 2013

Datum uitspraak:2013/02/15
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld art. 8:88, Awb.

 
GRATIS UITTREKSEL

12/2249 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 25 september 2009, 09/63

Partijen:

[A. te B. ] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft een verzoek om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad ingediend.

Het Uwv heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H.M.A. Zwarts. De zaak is gevoegd behandeld met het geding met nummer 10/6526 WAO. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en is in deze zaken heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

  1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

    1. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

    2. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

    3. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

  2. Bij de uitspraak waarvan herziening is verzocht, gepubliceerd onder LJN BJ9160, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 december 2008, 08/85, bevestigd, voor zover aangevochten. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door verzoeker ingestelde beroep tegen het besluit van 21 december 2007 ongegrond verklaard. Met het laatstgenoemde besluit, heeft het Uwv, ter uitvoering van de uitspraak van Raad van 30 mei 2006, LJN AX8565, de hoogte van het van verzoeker terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 41.495,-.

  3. In zijn verzoek om herziening heeft verzoeker betoogd dat de berekeningen die ten grondslag liggen aan het terug te vorderen bedrag niet juist zijn.

  4. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van

    3 oktober 2003, LJN AN7982, is het (bijzonder) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in

    artikel 8:88 van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT