Hoger beroep van Rechtbank Utrecht, 13 december 2012

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:13 december 2012
Uitgevende instantie::Rechtbank Utrecht
SAMENVATTING

Al of niet verzekerd voor de AOW tijdens verblijf in buitenland. Over periode 2 (februari 1972 tot februari 1973) is tussen partijen niet in geschil en ook de rechtbank is van oordeel dat eisers ingezetenen waren van Nederland. Ter zitting heeft eiser erkend dat eiseres in die periode werknemer was in België. Verweerder heeft over eiser het standpunt ingenomen dat hij tijdens het vervullen van de militaire dienstplicht in België als werknemer is aangemerkt. Eiser heeft... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 12/341 en SBR 12/342

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2012 in de zaak tussen

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), te [woonplaats], eisers,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A.L.F.B. Metz).

Procesverloop

Bij besluiten van 10 augustus 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder de afzonderlijke pensioenen van eisers op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van april 2011 vastgesteld op € 492,54 per maand.

Bij besluiten van 21 december 2011 en 22 december 2011 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. Eiser is verschenen. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft eisers gedurende drie perioden niet verzekerd geacht voor de AOW in Nederland, te weten, na de bestreden besluiten, de periode van 7 april 1961 (in geval van eiser) respectievelijk 14 april 1961 (in geval van eiseres) tot en met 31 juli 1970 (periode 1), de periode van 1 februari 1972 tot en met 15 februari 1973 (in geval van eiser) respectievelijk 28 februari 1973 (in geval van eiseres) (periode 2) en de periode van 1 oktober 1977 tot en met 30 augustus 1982 (periode 3). Vanwege deze vijftien niet verzekerde jaren heeft verweerder de pensioenen gekort met 30 procentpunt.

  2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers in periode 1 niet verzekerd waren in Nederland voor een AOW-pensioen. Tussen partijen is evenmin in geschil dat eisers in periode 2 woonden in België vanwege de vervulling van eisers militaire dienstplicht. Zij hebben in die periode geen werkzaamheden verricht in Nederland. Ten slotte is tussen partijen niet in geschil dat eisers in periode 3 woonden in Luxemburg vanwege eisers werkzaamheden voor het toenmalige Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) en dat zij in die periode geen werkzaamheden in Nederland hebben verricht.

  3. Het geschil beperkt zich tot de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers in de perioden 2 en 3 niet in Nederland voor de AOW waren verzekerd.

    Periode 2

  4. Over periode 2 is tussen partijen niet in geschil en ook de rechtbank is van oordeel dat eisers ingezetenen waren van Nederland. Ter zitting heeft eiser erkend dat eiseres in die periode werknemer was in België. Artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (Verordening 1408/71), die inmiddels is vervallen, maar voor periode 2 toepassing heeft behouden, wijst daarom België aan als land waar eiseres gedurende deze periode pensioen zou moeten hebben opgebouwd, afhankelijk van het daar geldende nationale recht. Hoewel verweerder in de bestreden besluiten niet precies heeft gezegd op welk artikelonderdeel van artikel 13 van de Verordening 1408/71 hij zich baseert, is dat wel voldoende duidelijk in verweerders redenering. Anders dan eisers betogen is geen sprake van een motiveringsgebrek op dit punt. In het pensioenoverzicht over eiseres van het Belgisch zusterorgaan van verweerder (gedingstuk 10) is periode 2 mogelijk ten onrechte niet vermeld als periode dat eiseres werkzaam was in België. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het op zijn weg ligt om hierover met dit zusterorgaan in overleg te treden om dit aan te (laten) passen. Verweerder heeft ter zitting toegezegd hiervoor stappen te ondernemen. Het beroep van eisers op de arresten van het HvJ inzake Banks van 30 maart 2000 (LJN: ZB8817) en inzake My van 16 december 2004...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT