Voorlopige voorziening van Centrale Raad van Beroep, 27 februari 2013

Datum uitspraak:27 februari 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Niet blijkt dat de gedragingen van verzoeker voor de werkgever een dringende reden voor ontslag vormden. Gezien echter het feit dat de werkgever, na 24 februari 2011 respectievelijk 21 juni 2011, niet onverwijld actie heeft ondernomen om te komen tot een beëindiging van de aanstelling van verzoeker, is het oordeel van de voorzieningenrechter van de... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

13/174 WW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staatssecretaris van Financiën (werkgever)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft bij brief van 21 december 2012 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter in de zin van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de rechtbank Arnhem van 4 december 2012, 12/2442 en 12/2443.

Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door R. Hoenderbos. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Reith. De werkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.K. Eisma.

OVERWEGINGEN

1.1. Verzoeker was aangesteld in vaste dienst bij het Ministerie van Financiën en werkzaam bij de Belastingdienst Regio [naam regio], laatstelijk in de functie van [naam functie]

E. Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft de werkgever verzoeker met ingang van 27 oktober 2011 wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Verzoeker wordt verweten dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie binnen de Belastingdienst en op belangrijke punten aangiftes inkomstenbelasting van hemzelf en zijn echtgenote onjuist heeft ingevuld. De rechtsmiddelen die verzoeker tegen het ontslagbesluit heeft aangewend, hebben er niet toe geleid dat het ontslag ongedaan is gemaakt.

1.2. Verzoeker heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 24 november 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering vanaf 27 oktober 2011 blijvend geheel geweigerd omdat verzoeker verwijtbaar werkloos is geworden. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 7 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker beroep ingesteld.

  1. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om binnen

    4 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De voorzieningenrechter was, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, van oordeel dat de gedragingen van verzoeker van zodanige ernst zijn geweest dat sprake was van een dringende reden voor ontslag, maar dat geen sprake is...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT