Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Den Haag, 1 maart 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 1 maart 2013
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
SAMENVATTING

De rechtbank in Den Haag heeft op 1 maart 2013 Yvonne Basebya veroordeeld wegens opruiing tot genocide, gepleegd in Rwanda tussen 1990 en 1994. Yvonne Basebya is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en 8 maanden. De rechtbank acht genocide, poging tot genocide, moord, samenspanning tot genocide en oorlogsmisdrijven niet wettig en overtuigend bewezen.

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/748004-09

Datum uitspraak: 1 maart 2013

Tegenspraak

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis1 gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

Yvonne N. [Yvonne Basebya],

geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedatum] 1947,

adres: [adres].

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam PI]

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22, 23, 25, 26, 29 en 30 oktober 2012, 1, 2, 12, 15, 16, 26, 27 en 29 november 2012, 6, 7, 11, 14 en 20 december 2012 en 1 maart 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.C.M. van Bruggen, W.N. Ferdinandusse en T. Berger en van hetgeen door de raadslieden van verdachte mrs. V.L. Koppe, T.M.D. Buruma en G.K. Sluiter, advocaten te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. DE BESCHULDIGING

1. Verdachte staat terecht voor betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten die zouden zijn gepleegd in Rwanda in de periode van oktober 1990 tot en met juli 1994. Deze feiten zijn omschreven in de gewijzigde tenlastelegging welke als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis.

2. De beschuldigingen houden kort gezegd het volgende in:

1. Genocide in de woonomgeving

Verdachte is in de periode van 22 februari 1994 tot en met 18 juli 1994 betrokken geweest bij genocide in haar woonomgeving (in de secteur Gikondo, gemeente Kicukiro, prefectuur Kigali, te Rwanda). Zij heeft samen met anderen leden van de Tutsi-bevolkingsgroep gedood en/of zwaar lichamelijk en geestelijk letsel toegebracht. Zij deed dit met het oogmerk deze bevolkingsgroep geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen. De mededaders van verdachte hebben daarbij gebruik gemaakt van machetes, andere (traditionele) slag- en steekwapens en vuurwapens.

In het bijzonder wordt verdachte betrokkenheid verweten bij genocide op drie momenten:

- De moord op [slachtoffer B], [slachtoffer D] en andere Tutsi's en de verkrachting van [slachtoffer E] op of omstreeks 22 februari 1994;

- De massamoord op Tutsi's in de Pallottikerk in Gikondo op of omstreeks 9 april 1994;

- De moord op [slachtoffer A] op of omstreeks 11 april 1994.

Primair wordt de verdachte ervan beschuldigd dat zij (als intellectuele dader) deze genocide tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

Subsidiair wordt zij ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 15 april 1994 deze genocide heeft uitgelokt, meer subsidiair hieraan medeplichtig is geweest. Verdachte heeft kruiers van de markt en andere arme jonge mannen, van wie enkele met name genoemd zijn in de tenlastelegging en die tezamen ook wel worden aangeduid als Interahamwe/Impuzamugambi, aangezet tot het plegen van genocide of is hen daarbij behulpzaam geweest. Zij heeft, gebruikmakend van haar gezaghebbende positie in de partij CDR, op bijeenkomsten waar deze jonge mannen aanwezig waren extremistisch anti-Tutsi gedachtegoed uitgedragen. Zij zong daarbij extremistische anti-Tutsi liederen, zoals het lied Tubatsembatsembe en hield de jonge mannen voor dat zij zich dienden te verdedigen tegen de vijand, zijnde de Tutsi-bevolkingsgroep. Zij heeft hun voorgehouden dat alle Tutsi's aanhangers waren van het RPF, bereid waren het RPF te steunen bij zijn militaire opmars en daarom vijanden waren. Daarom moesten zij worden gedood. Op deze manier riep de verdachte op tot geweld tegen Tutsi's. Zij gaf deelnemers aan de bijeenkomsten ook geld, bier en/of eten en voorzag hen van uniformen, militaire training en/of wapens. Ook gaf zij hun aanwijzingen over de verblijfplaatsen van Tutsi's die aangevallen konden worden, hield zij lijsten bij met namen van Tutsi's die vermoord waren of nog vermoord moesten worden en gaf zij de jonge mannen opdracht om alle in de nabijheid wonende Tutsi's te vermoorden of te verkrachten.

2. Poging tot genocide in de woonomgeving

Verdachte is in de periode van 22 februari 1994 tot en met 18 juli 1994 betrokken geweest bij pogingen tot genocide op Tutsi's in haar woonomgeving. De tenlastegelegde pogingen betreffen:

- Aanvallen op Tutsi's op of omstreeks 22 februari 1994. Toen is een gewapende groep op zoek gegaan naar onder meer de volgende Tutsi's: [getuige 2] (de vrouw van [getuige 1]), [moeder getuige 2], [getuige 8] en [getuige 6] (de vrouw van [slachtoffer F) met de bedoeling hen te doden, zwaar lichamelijk en/of geestelijk letsel toe te brengen of te verkrachten. Dit misdrijf werd niet voltooid omdat de groep deze slachtoffers niet kon vinden of bereiken (door omheiningen of weerstand).

- Een zoektocht naar Tutsi's met hetzelfde doel in de periode van 6 april tot 18 juli 1994. Toen ging een gewapende groep naar onder meer de woning van [getuige 1], op zoek naar bij hem ondergedoken Tutsi's, waaronder [slachtoffer F, man van getuige 6], [getuige 5], [getuige 7], [persoon M], [persoon N] en [persoon O]. Ook dit keer bleef het bij een poging.

Verdachte wordt er primair van beschuldigd (als intellectuele dader) medepleger te zijn van deze pogingen tot genocide, subsidiair wordt zij ervan beschuldigd deze te hebben uitgelokt danwel daaraan medeplichtig te zijn geweest. De uitlokking danwel medeplichtigheid is op dezelfde wijze tenlastegelegd als in feit 1. Ook de daders zijn dezelfde.

Meest subsidiair wordt verdachte onder feit 2 een poging tot uitlokking van (poging tot) genocide verweten. Het gaat wederom om dezelfde daders en dezelfde wijze van uitlokking.

3. De moord op [slachtoffer C]

Verdachte wordt primair beschuldigd van medeplegen van moord op [slachtoffer C], de vrouw van [getuige 5], op 22 februari 1994. Verdachte is de intellectuele dader van deze moord, die werd gepleegd door één of meer van de in de feiten 1 en 2 genoemde jonge mannen. Deze hebben [slachtoffer C] gedood met slag- en/of steekwapens. Zij verkeerden abusievelijk in de veronderstelling dat [slachtoffer C] Tutsi was.

Dit feit is subsidiair als uitlokking en meer subsidiair als medeplichtigheid tenlastegelegd, op dezelfde wijze als in de feiten 1 en 2.

4. Samenspanning tot genocide

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 14 april 1994 in haar directe woonomgeving met één of meer andere personen heeft samengespannen tot het plegen van genocide op de Tutsi-bevolkingsgroep. Zij heeft met die personen deelgenomen aan bijeenkomsten waar werd opgeroepen tot het doden van Tutsi's en geweld tegen Tutsi's. Daar heeft zij extremistische anti-Tutsi liederen over het uitroeien van Tutsi's (waaronder Tubatsembatsembe) voorgezongen. Ook hield zij namen van gezochte, vermoorde en nog te vermoorden Tutsi's en hun verblijfplaatsen bij, welke informatie zij deelde met die andere personen. Zij besprak met hen de voortgang van het vermoorden van Tutsi's. Op die manier is verdachte met andere personen overeengekomen de Tutsi's als zodanig te vernietigen.

5. Opruiing tot genocide

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 14 april 1994 in haar directe woonomgeving in het openbaar mondeling heeft opgeruid tot genocide.

Dit heeft zij gedaan door ten overstaan van een groep mensen, waaronder arme jongeren, kruiers van de markt en/of vrouwen, extremistische anti-Tutsi liederen (voor) te zingen, waaronder liederen over het uitroeien van de Tutsi-bevolkingsgroep en over het gebruik van geweld tegen deze bevolkingsgroep (waaronder Tubatsembatsembe). Ook bracht zij extremistisch anti-Tutsi-gedachtegoed onder hun aandacht en droeg zij uit dat alle Tutsi's moesten worden uitgeroeid. Zij heeft dit gedaan in de directe omgeving van haar woning, zichtbaar en hoorbaar vanaf de openbare weg.

6. Oorlogsmisdrijven (aanranding van de menselijke waardigheid en bedreiging)

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 14 april 1994 in haar directe woonomgeving tezamen en in vereniging met anderen oorlogsmisdrijven heeft gepleegd. Dit gebeurde in een niet-internationaal gewapend conflict tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF). Slachtoffers waren personen die niet aan de vijandelijkheden deelnamen. Enkele van hen zijn met name genoemd in de tenlastelegging. Verdachte heeft deze personen in een situatie gebracht waarin zij ernstig in het openbaar werden vernederd en voor hun leven, geestelijk en lichamelijk welzijn en dat van hun naaste familieleden, hebben moeten vrezen. Verdachte en haar mededaders hebben dit gedaan door zichtbaar en/of hoorbaar voor de slachtoffers dreigend wapens te tonen, extremistisch anti-Tutsi gedachtegoed uit te dragen, op te roepen tot geweld tegen Tutsi's en/of handlangers van de vijand (ibyitso), het lied Tubatsembesembe en andere anti-Tutsi liederen voor te zingen en op te roepen Tutsi's en/of ibyitso op te sporen en te doden.

2. RECHTSMACHT EN BEVOEGDHEID VAN DE RECHTBANK

1. De rechtbank zal, hoewel partijen hierover geen opmerkingen hebben gemaakt, eerst onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over de feiten zoals deze zijn tenlastegelegd. In de tenlastelegging gaat het immers om feiten gepleegd buiten Nederland, tegen niet-Nederlandse slachtoffers door een verdachte die op dat moment niet de Nederlandse nationaliteit had.

2. Genocide en samenspanning tot genocide waren in de ten laste gelegde periode strafbaar gesteld in respectievelijk artikel 1, eerste en tweede lid 2 van de Uitvoeringswet Genocideverdrag (hierna ook: Uitvoeringswet). Opruiing tot genocide was strafbaar gesteld in artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in samenhang met artikel 1, eerste lid van de Uitvoeringswet. De Nederlandse wetgever had niet voorzien in universele rechtsmacht. De Nederlandse strafwet was ingevolge artikel 5, lid 1 van de Uitvoeringswet wel toepasselijk op Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maakten...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT