Eerste aanleg - meervoudig van Raad van State, 20 maart 2013

Uitgevende instantie::Raad van State
Datum uitspraak:20 maart 2013
SAMENVATTING

Bij besluit van 26 juni 2012, nummer 74-2012, heeft de raad het bestemmingsplan "Noorderbrug e.o." vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

 
GRATIS UITTREKSEL

201207905/1/R1.

Datum uitspraak: 20 maart 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vado Properties Maastricht B.V., gevestigd te Maastricht,

2. [appellant sub 2], wonend te Maastricht,

3. [appellante sub 3A], [appellante sub 3B], Praxis-Doe-Het-Zelf-Center B.V. en Leen Bakker Nederland B.V., alle gevestigd te Maastricht, (hierna: [appellante sub 3] en andere),

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BMG Vastgoed B.V., gevestigd te Hoorn,

5. [appellant sub 5], wonend te Maastricht,

6. [appellante sub 6], gevestigd te Maastricht,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Trega Vastgoed B.V., gevestigd te 's-Hertogenbosch,

8. de vereniging Fietsersbond, gevestigd te Utrecht,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Raimetaal Schroot B.V., gevestigd te Maastricht, en andere,

10. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Sleutelbozmaker B.V. en [appellante sub 10A], gevestigd te Schin op Geul, gemeente Valkenburg aan de Geul, onderscheidenlijk Maastricht,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Maastricht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2012, nummer 74-2012, heeft de raad het bestemmingsplan "Noorderbrug e.o." vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben Vado, [appellant sub 2], [appellante sub 3] en andere, BMG, [appellant sub 5], [appellante sub 6], Trega, de Fietsersbond, Raimetaal en andere en Sleutelbozmaker en [appellante sub 10A] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] en andere, [appellante sub 6], Vado, [appellant sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2013, waar Vado, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, M.E.H. Van Dooren en A.W.G. van Dooren, [appellante sub 3] en andere, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, BMG, vertegenwoordigd door mr. J.P. Groen, advocaat te Hoorn, [appellant sub 5], [appellante sub 6], vertegenwoordigd door mr. G.A.M. van der Wouw, advocaat te Maastricht, en [directeur] van [appellante sub 6], Trega, vertegenwoordigd door mr. H. Doornhof, advocaat te Amsterdam, en ir. [directeur] van Trega, de Fietsersbond, vertegenwoordigd door L.G.M. Maathuis, Raimetaal en andere, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, werkzaam bij Royal Haskoning DHV, en S. Diez, Sleutelbozmaker en [appellante sub 10A], vertegenwoordigd door J.R. van der Kooij, werkzaam bij Overwater Grondbeleid Adviesbureau B.V., en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag, mr. M.M.E. Thomassen-Wetzels, A.P.J. Savelberg-Ortmans, W.J.M. Meys, G.M.J. Costongs, G.E.M.M. Bartholomeé en P. de Ronde, allen werkzaam bij de gemeente, F. Wigman, werkzaam bij BRO, J.A.M. van den Brand, werkzaam bij VD2Advies, C.F.M. Bernards, werkzaam bij Goudappel Coffeng, en mr. R.H.J. Cox, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 5] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 5] is niet-ontvankelijk.

Intrekking

2. Ter zitting hebben Trega en [appellante sub 3] en andere hun beroepsgronden omtrent de parkeervoorzieningen op het voorziene PDV-terrein ingetrokken.

Voorts heeft de raad zijn verweer omtrent de ontvankelijkheid van Sleutelbozmaker en [appellante sub 10A] ter zitting ingetrokken.

Het bestemmingsplan

3. Het bestemmingsplan voorziet in het planologisch mogelijk maken van het verleggen van de westelijke aanlanding van de Noorderbrug, de aanleg van een nieuwe verbindingsweg in noordelijke richting (richting België) en de aanpassing van de kruising op de oostoever Willem Alexanderweg/Viaductweg. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in het planologisch mogelijk maken van de vestiging van perifere detailhandel (hierna: PDV) in het gebied Belvédère op het Bosscherveld. Voorts is voor het gebied tussen de Bosscherweg en het PDV-terrein een groenbestemming opgenomen om meer samenhang aan te brengen in de groengebieden rondom het Frontenpark.

PDV-terrein

Wijzigingsbevoegdheid "Wro-zone - wijzigingsgebied 1"

4. Sleutelbozmaker en [appellante sub 10A] betogen dat de ruimtelijke gevolgen van de in het plan opgenomen aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" niet inzichtelijk zijn gemaakt en dat de raad ten onrechte nog geen concrete plannen voor dit gebied heeft.

[appellante sub 3] en andere betogen dat de wijzigingsbevoegdheid "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" in strijd is met artikel 3.6 van de Wro omdat de ene bestemming wordt gewijzigd in de andere en daarmee de structuur van het bestemmingsplan. Voorts is volgens hen ten onrechte niet duidelijk wanneer en in welk geval van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt.

4.1. De raad stelt dat de wijzigingsbevoegdheid niet leidt tot een ingrijpende wijziging van de structuur van het plan, omdat thans sprake is van een industrieterrein met grootschalige bebouwing en na de wijziging een andere bedrijfsactiviteit wordt toegestaan. De wijzigingsbevoegdheid voorziet in de realisering van de tweede fase van het PDV-terrein.

4.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan gegeven regels het plan kan wijzigen.

Beoogd is met toepassing van deze bepaling een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan de zich wijzigende omstandigheden mogelijk te maken, zonder dat de waarborgen van de betrokken belangen te zeer in het gedrang komen. Juist met het oog hierop is bepaald dat op de voorbereiding van een wijzigingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

4.3. Aan een deel van het plangebied ten noordoosten van de bedrijven van Sleutelbozmaker en [appellante sub 10A] en [appellante sub 3] en andere is de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" toegekend. Deze gronden grenzen aan de plandelen met de bestemming "Detailhandel-PDV". Grenzend aan de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" liggen plandelen met de bestemming "Groen". Aan een klein deel van deze gronden is eveneens de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.7.1, onder a, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van artikel 3.6 van de Wro de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, lid 17.8.

Ingevolge artikel 6, lid 6.6, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wro de bestemming "Groen" ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, lid 17.8.

Ingevolge artikel 17, lid 17.8, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wro de bestemming van gronden binnen de gebiedsaanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 1" te wijzigen in de bestemming "Detailhandel-PDV", met inachtneming van de volgende wijzigingsregels:

a. de te realiseren detailhandelsvestiging(en) dient (en) te passen binnen de in artikel 1 van deze regels opgenomen begripsbepaling PDV;

b. het totaal aan PDV, inclusief de in artikel 5, lid 5.1, sub a, genoemde oppervlakte, mag niet meer bedragen dan 50.000 m² winkelvloeroppervlak (hierna: wvo), met dien verstande dat de maximale oppervlakte voor tuin- en sfeercentra en bouwmarkten binnen het gebied met de bestemming "Detailhandel-PDV" maximaal 20.000 m² wvo bedraagt en ten noorden van de Fort Willemweg wordt gesitueerd;

c. het college van burgemeester en wethouders toetst bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in ieder geval of voldaan kan worden aan de eisen van de Wet geluidhinder, de Flora- en faunawet en de Wet milieubeheer;

d. bebouwing mag plaatsvinden in maximaal twee bouwlagen, met dien verstande dat de minimale bouwhoogte 8 m bedraagt en de maximale bouwhoogte 12 m;

e. het te wijzigen gebied mag volledig worden bebouwd;

f. van het te bebouwen oppervlak van het te wijzigen gebied mag maximaal 20% worden bebouwd met een maximale bouwhoogte van 50 m;

g. er dient een rechtstreekse verbinding met het openbaar gebied te worden gerealiseerd;

h. er dient te worden voldaan aan de parkeernormen zoals aangegeven in artikel 5, lid 5.6;

i. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

j. er mogen geen onevenredige nadelige gevolgen...

Om verder te lezen

PROBEER HET GRATIS UIT