Eerste aanleg - meervoudig van Centrale Raad van Beroep, March 21, 2013

Datum uitspraak:2013/03/21
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

De gehandhaafde weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijk te stellen met de vervolgde berust op de grond dat er geen nieuwe medische feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de in 1977 spontaan ontstane dwarslaesie en de psychische klachten van appellante het gevolg zijn van het omkomen van de vader van appellante door... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/4448 WUV, 12/1102 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

In het geding tussen:

Partijen:

[A te B] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 21 maart 2013

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 juli 2011, kenmerk BZ01272345, en tegen het besluit van verweerder van 31 januari 2012, kenmerk BZ01399848. Deze besluiten betreffen de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013. Namens appellante is verschenen [naam echtgenoot], echtgenoot van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

  1. In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

    1.1. Appellante, geboren in 1943 in Amsterdam, heeft in maart 2001 een aanvraag ingediend om haar een periodieke uitkering toe te kennen op grond van de Wuv. In dat verband heeft zij naar voren gebracht dat haar vader Joods was en in het verzet heeft gezeten. In 1943 is haar vader gearresteerd en in april 1945 is hij overleden in kamp Waldlager Mühldorf in Dachau.

    1.2. Op deze aanvraag is bij besluit van 30 november 2001 afwijzend beslist. Hierbij is overwogen dat verweerder niet heeft kunnen vaststellen dat appellante vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv, nu de vervolgingsmaatregelen van de Duitsers in beginsel niet gericht waren tegen kinderen uit een gemengd huwelijk en ook in het geval van appellante niet kon worden gesproken van tegen haar gerichte vervolgingsmaatregelen. Wel werden de omstandigheden waaronder appellante de oorlog heeft meegemaakt uitzonderlijk geacht, met name door het ten gevolge van de vervolging omkomen van haar vader. Op grond van een door een medisch adviseur uitgebracht advies en de beschikbare gegevens was verweerder echter van oordeel dat de status na dwarslaesie en de psychische klachten van appellante geen verband houden met haar oorlogsomstandigheden, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Omdat er geen ziekten of gebreken geconstateerd waren waarvan kon worden gezegd dat zij redelijkerwijs verband houden met het door vervolging omkomen van de vader van appellante, achtte verweerder geen sprake van klaarblijkelijke hardheid in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Wuv. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit rechtens onaantastbaar is...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT