Eerste aanleg - meervoudig van Centrale Raad van Beroep, 21 maart 2013

Datum uitspraak:21 maart 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellant is geen belanghebbende.

 
GRATIS UITTREKSEL

12/1877 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A te B] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 21 maart 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 maart 2012, kenmerk BZ01435720 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

  1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1. De echtgenote van appellant, [echtgenote], was vervolgde en uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wuv. Zij is op [overlijdensdatum] overleden. Bij brief van 1 december 2011 heeft appellant - voor zover hier van belang - verzocht om vergoeding van de extra kosten die zijn gemaakt vanwege haar verzorging en verpleging thuis, in de periode voorafgaande aan haar overlijden.

    1.2. Bij brief van 30 januari 2012 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Daartoe is overwogen dat een wettelijke titel voor toekenning ontbreekt, omdat aanspraken op grond van de Wuv persoonsgebonden zijn voor het in leven zijnde oorlogsslachtoffer.

    1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de brief van 30 januari 2012 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

    2.1. Het inleidend verzoek van appellant strekt tot vergoeding van kosten die zijn gemaakt ten behoeve van zijn inmiddels overleden echtgenote. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant bij dit verzoek geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb (CRvB 16 maart 2006, LJN AV7750). Het verzoek van appellant is daarom geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

    2.2. Dit betekent dat de brief van 30 januari 2012 - die blijkens het verhandelde ter zitting moet worden aangemerkt als een afwijzing van het verzoek - geen beschikking is als bedoeld in het tweede lid. Een afwijzing zoals deze is naar...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT