Voorlopige voorziening van College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 maart 2013

Datum uitspraak:22 maart 2013
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
SAMENVATTING

Legkippenbesluit 2003. Last onder bestuursdwang opheffing overtreding legbatterijverbod. Verzoek voorlopige voorziening afgewezen. Overgangsregime artikel 2 lid 4 legkippenbesluit 2003 mist toepassing. De kooien van verzoekster voldeden al bij de ingebruikname vóór 1 januari 2003 niet aan de afmetingen waaraan een verrijkte kooi moet voldoen, en konden daar, zonder aanpassingen aan de kooi zelf,... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 13/156 22 maart 2013

11201- Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Awic B.V., te Venhorst, verzoekster,

gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel, werkzaam bij ABAB Belastingadviseurs en Juristen B.V. te Tilburg,

tegen

de Staatsecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. J.C.Q. Bult, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft verweerder aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd om de overtreding op te heffen van artikel 2, tweede lid, van het Legkippenbesluit 2003. Verweerder heeft verzoekster aangezegd dat als zij deze overtreding niet vóór 1 april 2013 opheft de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (hierna: NVWA) de legkippen op verzoeksters bedrijf die zijn gehuisvest in kooien die niet aan de eisen van het Legkippenbesluit 2003 voldoen, op kosten van verzoekster zal verwijderen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 12 maart 2013 bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij op diezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 20 maart 2013 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting op 21 maart 2013. Verzoekster werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Tevens zijn van de zijde van verzoekster verschenen C.A.L Ermers (bestuurder en enig aandeelhouder van

C.A.L. Ermers Beheer B.V., welke vennootschap medebestuurder is van verzoekster) en J.C.M. Ermers (bestuurder van Ermers Venhorst B.V.). Verweerder heeft zich door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. Van de zijde van verweerder zijn tevens verschenen ir. F.T.M. Divanach, werkzaam bij verweerders ministerie, en J.P.H.M. Vorstermans, als toezichthouder werkzaam bij NVWA.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 1 april 2009 is het Besluit van 30 maart 2009, houdende een verbod op het houden van legkippen in verrijkte kooien en vaststelling van nieuwe minimumnormen voor het houden van legkippen (hierna: het Wijzigingsbesluit) in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2009, 161).

In die, niet in werking getreden, versie van het Wijzigingsbesluit was, als gevolg van de in de Tweede Kamer aangenomen motie Ouwehand (Kamerstukken II 2008-2009, 31 700 XIV, nr. 106), voor de zogenoemde verrijkte kooi voorzien in een overgangstermijn tot

1 januari 2017. Nadien heeft de Tweede Kamer er bij motie Atsma c.s. (Kamerstukken II 2008-2009, 21 501-32, nr. 347) op gewezen dat in het aanvankelijke voorstel van het Wijzigingsbesluit was voorzien in een overgangstermijn tot 1 januari 2021 en is de regering verzocht om, voordat tot besluitvorming met betrekking tot de overgangstermijn wordt overgegaan, een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar mogelijke schade voor ondernemers die al geïnvesteerd hebben in een verrijkte of te verrijken kooi.

Bij brief van 23 november 2009 (Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 XIV, nr. 65) heeft de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) aan de Tweede Kamer het rapport met betrekking tot het in voornoemde motie Atsma c.s. gevraagde onderzoek toegezonden, waarna de regering bij een nieuwe motie van Atsma van 3 december 2009 is verzocht de overgangstermijn wederom te laten eindigen op

1 januari 2021. De regering heeft aan laatstbedoelde motie Atsma gevolg gegeven bij besluit van 30 juni 2010, houdende wijziging van de overgangstermijn voor het verbod op het houden van legkippen in verrijkte kooien (Stb. 2010, 284).

Bij brieven van onderscheidenlijk 28 en 29 september 2010 hebben de Tweede en de Eerste Kamer in het kader van de procedure als bedoeld in artikel 110 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (de zogeheten nahangprocedure) verzocht de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit bij wet te laten geschieden.

Op 29 en 30 december 2011 zijn - kort gezegd - de wet van 22 december 2011, houdende de inwerkingtreding van het besluit van 30 juni 2010, alsmede het besluit van

22 december 2011, houdende de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 30 maart 2009 in het Staatsblad geplaatst (Stb 2011, nrs. 661 en 662).

Met ingang van 1 januari 2012 luidt het besluit van 27 mei 2003, houdende regels voor de huisvesting en verzorging van legkippen (hierna: Legkippenbesluit 2003), voor zover hier van belang, als volgt:

“ Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

(…)

c. huisvestingssysteem: voorziening waarin legkippen op dezelfde wijze worden gehouden;

d. kooi: afgesloten ruimte bestemd voor het houden van één of meer legkippen waarin de legkippen zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen;

e. bruikbare oppervlakte: een ten minste 30 cm breed oppervlak met een helling van ten hoogste 8 graden met boven het gehele oppervlak een vrije ruimte van ten minste 45 cm hoogte. De oppervlakte van het nest wordt niet tot de bruikbare oppervlakte gerekend;

f. nest: afgescheiden ruimte voor een individuele legkip of een groep legkippen die geschikt is voor het leggen van eieren en waarin een legkip niet in contact kan komen met bodembestanddelen die bestaan uit draadgaas;

(…)

Artikel 2

(…)

2. Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 4, 7, 8, eerste en tweede lid, 9 en 10.

(…)

4. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2020 toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 5 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 5 en 7 tot en met 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat:

a. het voor 18 april 2008 is gebouwd, of

b. ten behoeve van dit huisvestingssysteem voor 18 april 2008:

1° een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, of

2° een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, is gedaan en:

- een aanvraag voor een milieuvergunning is gedaan, of

- een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,

en dat het huisvestingssysteem voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.

5. In afwijking van het tweede lid is het tot en met 31 december 2011 toegestaan legkippen te houden in een kooi als bedoeld in artikel 6 indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 6, 7, 8, eerste, tweede en vijfde lid, 9 en 10, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat het voor

1 januari 2003 is gebouwd en in gebruik is genomen.

(…)

§ 3. Houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen

§ 3.1 Houden en huisvesten van legkippen in aangepaste kooien

(…)

Artikel 5

1. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2, vierde lid hebben ten minste de beschikking over:

a. 750 cm2 oppervlakte waarvan 600 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip, met dien verstande dat de kooi boven andere plaatsen dan de bruikbare oppervlakte op elk punt ten minste 20 cm hoog moet zijn en dat de totale oppervlakte van een kooi niet kleiner mag zijn dan 2000 cm2;

b. een nest;

c. een met strooisel bedekte ruimte die ten minste 20 cm hoog is, waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;

d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van 20 cm;

e. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 12 cm per legkip bedraagt;

f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en

g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.

2. De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.

§ 3.2. Houden en huisvesten van legkippen in niet-aangepaste kooien

Artikel 6

1. Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, hebben ten minste de beschikking over:

a. een grondoppervlakte van 550 cm2, horizontaal gemeten, die vrij beschikbaar is en waarvan de helling niet meer bedraagt dan 8 graden, met een vrije ruimte van 40 cm boven 65% van de grondoppervlakte en een vrije ruimte van 35 cm boven de overige grondoppervlakte. De ruimte onder de morsranden die de beschikbare grondoppervlakte kunnen beperken, wordt niet tot de grondoppervlakte gerekend;

b. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt;

c. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn, en

d. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat.

2. De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.”

De Nota van Toelichting bij de oorspronkelijke versie van het Wijzigingsbesluit

(Stb. 2009, 161) vermeldt het volgende:

“ Algemeen deel

§ 1. Inleiding

(…)

Om te voorkomen dat pluimveehouders al dan niet in anticipatie op het aangekondigde verbod op de verrijkte kooi nog gaan investeren in deze kooien, is voorzien in een overgangstermijn voor bestaande gevallen. Daartoe heb ik op 18 april 2008 per brief aan het parlement gemeld voor welke kooien de overgangstermijn zal gaan gelden (Kamerstukken II 2007-2008, 28 286, nr. 213).

(…)

§ 2. Koloniehuisvesting

Uitgangspunt van het Legkippenbesluit 2003 is dat legkippen niet in kooien, maar in alternatieve huisvestingssystemen worden gehuisvest (artikel 2, tweede lid, van het Legkippenbesluit). Op dit uitgangspunt bestaat een drietal uitzonderingen.

1. (...)

2. De verrijkte kooi...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT