Voorlopige voorziening van Centrale Raad van Beroep, 27 maart 2013

Datum uitspraak:27 maart 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat verzoeker na zijn vrijlating uit de PIOA over een bepaalde vorm van opvang zal komen te beschikken. In de gegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat thans niet is gebleken dat is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

13/1033 WMO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[A. te B.] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak 27 maart 2013.

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 november 2012, 12/2148 en 12/2149 (aangevallen uitspraak). Voorts is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van 19 december 2012, LJN BY7278, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker afgewezen.

Bij brief van 25 februari 2013 is opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij brief van 6 maart 2013 heeft mr. Fischer, desgevraagd, een aantal nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gebleven.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter van de Raad naar rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.7 van de uitspraak van 19 december 2012, LJN BY7278. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 11 oktober 2012 (bestreden besluit), voor zover thans van belang, heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 26 juni 2012, waarbij de aanvraag om hulp ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) werd afgewezen, ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat verzoeker gelet op zijn verblijf in een vrijheidsbeperkende opvanglocatie ten tijde van belang niet onder de verantwoordelijkheid van het college valt.

  1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb geoordeeld dat geen sprake is geweest van nieuwe feiten en omstandigheden waarin het college aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit van 29 november 2011, waarbij de aanvraag om hulp ingevolge de Wmo werd afgewezen, te herzien. In het door CIZ op 6 juni 2012 op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten afgegeven gewijzigde indicatiebesluit na de periode in geding ziet de voorzieningenrechter geen nieuw feit of een nieuwe omstandigheid. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het gewijzigde...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT