Cassatie van Hoge Raad, March 06, 2013

Datum uitspraak:2013/03/06
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Conclusie PG: A-G Niessen heeft conclusie genomen in de volgende zaak. Belanghebbende drijft samen met zijn vader een tuindersbedrijf. De activiteiten bestaan uit het kweken van planten in potten en uit het snoeien van bomen en struiken voor de verkoop van snijgroen. Deze bomen en struiken staan reeds vele jaren in de volle grond op twee percelen. Het geschil in cassatie betreft de vraag of... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

Derde kamer - uitspraak volgt

Nr. 12/02457

Nr. Rechtbank: AWB 10/8084 IB/PVV

Nr. Gerechtshof: BK-11/00263

Derde Kamer A

Inkomstenbelasting 2007

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. R.E.C.M. NIESSEN

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 6 maart 2013 inzake:

Staatssecretaris van Financiën

tegen

X2

  1. Inleiding

    1.1 Aan X2, wonende te Z (hierna: belanghebbende), is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.195.

    1.2 Tevens is aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.526.

    1.3 Tegen die aanslagen heeft belanghebbende in één geschrift bezwaar gemaakt. De Inspecteur(1) heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar belanghebbendes bezwaar afgewezen. Daartegen is belanghebbende in beroep gekomen bij rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij mondelinge uitspraak van 14 april 2011 ongegrond verklaard.(2) Belanghebbende heeft daartegen hoger beroep ingesteld bij gerechtshof 's-Gravenhage (hierna: het Hof). Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 3 april 2012 gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag ib/pvv verminderd tot een naar een naar een belastbaar bedrag uit werk en woning van € 6.840 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verminderd tot een naar een bijdrage-inkomen van € 10.171.(3)

    1.4 De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft schriftelijk te kennen gegeven af te zien van het indienen van een conclusie van repliek.

    1.5 Het geschil betreft de vraag of belanghebbende recht heeft op toepassing van de bosbouwvrijstelling voor de winst behaald met het snoeien van bomen en struiken voor de verkoop van snijgroen. Niet in geschil is dat sprake is van een bos, het gaat om de vraag of in het onderhavige geval het in stand houden van het bos op de voorgrond staat.

  2. De feiten en het geschil in feitelijke instanties

    2.1 Het Hof heeft de feiten in onderdeel 3 van zijn uitspraak als volgt weergegeven, van welke weergave in cassatie kan worden uitgegaan:

    3.1. Belanghebbende exploiteert in vennootschappelijk verband met zijn vader een tuindersbedrijf. De activiteiten van de vennootschap onder firma bestaan uit het kweken van planten in potten en uit het snoeien van bomen en struiken voor de verkoop van snijgroen.

    3.2. De hiervoor vermelde bomen en struiken staan reeds vele jaren in de volle grond en bevinden zich op een perceel grond gelegen in Q en op een perceel grond gelegen in R. Het opgaande hout wordt intact gehouden. De zijtakken worden gesnoeid en voor zover bruikbaar, als siertakken (snijgroen) verkocht, veelal op de veiling. Eventuele uitval van bomen en struiken door ziekte of anderszins wordt hersteld door middel van herinplant.

    3.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 voor de winst behaald met de verkoop van snijgroen verzocht om toepassing van de vrijstelling voor het bosbedrijf (hierna: de bosbouwvrijstelling). De Inspecteur heeft toepassing van de bosbouwvrijstelling geweigerd.

    Rechtbank

    2.2 De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat vaststaat dat het bedrijfsproces erop is gericht om onder instandhouding van de bomen gedeelten daarvan af te scheiden en te verkopen. Aldus staat, naar het oordeel van de Rechtbank, de verkoop van het snijgroen op de voorgrond en niet de instandhouding van de bomen. De bosbouwvrijstelling is mitsdien niet van toepassing, zo oordeelt de Rechtbank.

    Hof

    2.3 Het Hof overweegt dat het snijden van zijtakken om reden van de verkoopopbrengst niet in strijd komt met de eis van instandhouding van de houtopstand. Voorts overweegt het Hof dat niet in geschil is dat de onderhavige bomen en struiken in stand worden gehouden doordat belanghebbende niet meer kapt dan normaal bosbeheer meebrengt en zo nodig herplant plaatsvindt. Het Hof oordeelt dat belanghebbende het bosbedrijf uitoefent en dat de Inspecteur belanghebbende ten onrechte de bosbouwvrijstelling heeft onthouden.

  3. Het geschil in cassatie

    3.1 De Staatssecretaris stelt in cassatie het volgende middel voor:(4)

    Schending van het recht, met name van artikel 3.11, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), in samenhang met artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft beslist dat op de exploitatie van het onderhavige snijgroenbedrijf de bosbouwvrijstelling van toepassing is, (...).

    3.2 Ter toelichting merkt de Staatssecretaris op:

    Naar mijn mening is echter de door het Hof geformuleerde algemene regel ter invulling van de instandhoudingseis te ruim. Het niet meer kappen dan een normaal bosbeheer meebrengt, houdt immers nog niet in dat het intact houden van het bos bij de exploitant op de voorgrond staat. Indien het Hof wel mocht zijn uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, is mijns inziens in het licht van de feiten van het onderhavige geval onbegrijpelijk dat het Hof in casu geen aanleiding heeft gevonden voor het maken van een uitzondering op de door hem geformuleerde algemene aanname. Belanghebbendes bedrijfsproces is gericht op het snijden en verkopen van de takken van de coniferen, zodat sprake is van werkzaamheden in het kader van het snijgroenbedrijf. Het in stand houden van de bomen staat bij die exploitatie niet op de voorgrond, maar is slechts een middel ter realisering van het ondernemingsdoel. Dat doel is de op winst gerichte pluk en verkoop van de vruchten in overdrachtelijke zin van de bomen, te weten het snijgroen. Nu het intact houden van het opstaande hout aldus niet op de voorgrond staat, is plaats voor een uitzondering op de algemene aanname van het Hof. Hier kan mijns inziens een parallel worden getrokken met de "geheel normale bedrijfsvoering" waarvoor de wetgever in 1926 een uitzondering maakte, namelijk voor "hakhout". Die uitzondering is alleen komen te vervallen omdat de wetgever meende dat commerciële exploitatie in de praktijk niet meer plaatsvond. Ook zie ik een parallel met het boomkwekersbedrijf, waarvoor de vrijstelling nadrukkelijk niet is bedoeld. Tot slot merk ik op dat er in het licht van de bosbouwvrijstelling een grote mate van overeenkomst bestaat tussen belanghebbendes snijgroenbedrijf en het fruitteeltbedrijf, waarbij evenzeer niet het in stand houden van het bos op de voorgrond staat doch de op winst gerichte pluk en verkoop van de (in dat geval letterlijke) vruchten van de bomen. In de praktijk bestaat tot nog toe geen verschil van mening omtrent het niet van toepassing zijn van de bosbouwvrijstelling op fruittelers. Het lijdt mijns inziens geen twijfel dat de wetgever met de bosbouwvrijstelling niet het oog kan hebben gehad op het onbelast blijven van de winsten van fruittelers en snijgroenkwekers.

  4. De bosbouwvrijstelling

    Regelgeving

    4.1 Artikel 3.11, lid 1, van de Wet IB 2001 luidt (tekst 2007):

  5. Tot de winst behoren niet voordelen uit bosbedrijf.

    Wetsgeschiedenis

    4.2 In de parlementaire geschiedenis is de wens weergegeven om de opbrengst van bossen aan de inkomstenbelasting te onttrekken. Hiervoor zijn in de parlementaire geschiedenis twee redenen aangedragen. De eerste reden is gelegen in de moeilijkheden met betrekking tot de winstbepaling van bosbedrijven:(5)

    Dit Kamerlid, van nabij bekend met boschbezit, gevoelde toen reeds, dat het heffen van een belasting bij boschbezit in de inkomstenbelasting tot moeilijkheden aanleiding zou geven. Inderdaad, die moeilijkheden zijn niet uitgebleven. In ver-schillende deelen van ons land heeft men op verschillende wijzen gepoogd, die moeilijkheden op te lossen, totdat daar-aan eindelijk een einde is gekomen, doordat de Hooge Raad bij arrest van 29 Maart 1917 [A-G: B. nr. 1672] een beslissing heeft gegeven. Bij dat arrest werd o. a. beslist, dat als opbrengst van een bosch moet beschouwd worden hetgeen het aanwezige op stam staande hout bij het einde van bet boek- of kalenderjaar meer waard is dan bij het begin.

    4.3 De tweede reden is te vinden in het 'groot algemeen belang' dat gelegen is 'in het bezit van een goeden boschstand':(6)

    (...) Kan aan het bovenstaande een argument worden ontleend om tot het heffen van een kaprecht niet over te gaan, dan wil de ondergeteekende, nu hij niettemin voorstelt de bosschen aan de inkomstenbelasting te onttrekken, voor dat laatste een andere reden naar voren brengen. Die reden is het groot algemeen belang, dat er gelegen is in het bezit van een goeden boschstand. Veel betoog zal er van den ondergeteekende ten deze niet verwacht worden; herhaaldelijk is men, in en buiten de Staten-Generaal, met klem van redenen - onder welke die van ideëelen aard waarlijk niet de minst krachtige waren - voor het behoud van onze bosschen opgekomen. De onder-geteekende meent zich daarbij te moeten aansluiten.

    Artikel 1. Het schijnt den ondergeteekende eenvoudiger en meer overzichtelijk, dat de vrijstelling wordt opgenomen als een onderdeel van artikel 9 der wet, hetwelk het buiten de belasting laten van sommige voordeelen tot onderwerp heeft. Het ontworpen voorschrift sluit - in overeenstemming met de gedachte welke ten slotte in het ingetrokken wetsontwerp belichaamd is geweest - de voordeelen met het boschbedrijf behaald van belastingheffing uit. Hoewel het begrip "bosch-bedrijf" in ruimen zin dient te worden opgevat, zoodat daar-onder wordt gerekend opgaand hout in het algemeen en dus bijv. ook eene wegbeplanting, moet van den anderen kant de opvatting niet zoo ruim zijn, dat daaronder ook zouden vallen zoogenaamde hakbosschen. Voor het buiten belasting laten van deze bosschen bestaat geen reden; het houden er van zal in vele...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT