Hoger beroep van College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28 maart 2013

Datum uitspraak:28 maart 2013
Uitgevende instantie::College van Beroep voor het bedrijfsleven
SAMENVATTING

Last onder dwangsom. Bestuurlijke boete. Cautie. Bewijslast. Documentatieverplichting.

 
GRATIS UITTREKSEL

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/384 en 10/385 28 maart 2013

21700 Wet toezicht trustkantoren

Uitspraak op de hoger beroepen van:

  1. De Nederlandsche Bank, te Amsterdam (hierna: DNB), en

  2. Van Baerle Trust Company B.V., te Amsterdam (hierna: Van Baerle),

    appellanten tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 9 maart 2010, procedurenummer AWB 09/363 BC-T2, in het geding tussen DNB en Van Baerle.

    Gemachtigde van DNB: mr. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam.

    Gemachtigde van Van Baerle: mr. E.C. Timmer, advocaat te Capelle aan den IJssel.

  3. Het procesverloop in hoger beroep

    Het College heeft op 19 april 2010 van DNB en van Van Baerle een beroepschrift ontvangen, waarbij hoger beroep is ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank (LJN: BL6974).

    Bij brief van 4 juni 2010 heeft DNB de gronden van het hoger beroep ingediend.

    Bij brief van 5 juli 2010 heeft Van Baerle een reactie op het hoger beroepschrift van DNB ingediend.

    Bij brief van 13 augustus 2010 heeft DNB op het beroepschrift van Van Baerle gereageerd.

    Op 3 juli 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Van de zijde van DNB zijn voorts verschenen mr. W.M. Haverkamp en A.G. Sonneveld, beiden werkzaam bij DNB. Van de zijde van Van Baerle zijn voorts verschenen [A], bestuurder van Van Baerle, en [B], werkzaam bij Confiad B.V. Deze personen zijn ter zitting als getuige gehoord.

  4. De grondslag van het geschil

    2.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

    2.2 De Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) luidde, voor zover en ten tijde van belang, als volgt:

    “Artikel 1

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    1. trustkantoor: een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die, al dan niet tezamen met andere rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen, beroeps- of bedrijfsmatig een of meer van de in onderdeel d genoemde diensten verleent in opdracht van een, niet tot dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende, rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon;

    2. doelvennootschap: een rechtspersoon of vennootschap waaraan de in onderdeel d, onder 1° en 2°, genoemde diensten worden verleend;

    3. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die een gekwalificeerde deelneming houdt in een doelvennootschap, dan wel begunstigde is van ten minste tien procent van het vermogen van een stichting of van een trust als bedoeld in het Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts (Trb. 1985, 141);

    4. dienst:

    1. het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap;

    2. het ter beschikking stellen van het adres of het correspondentieadres, bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, onder b, en 10, onder a, van het Handelsregisterbesluit 1996, aan een rechtspersoon of vennootschap, indien ten minste een van de volgende bijkomende werkzaamheden wordt verricht ten behoeve van die rechtspersoon of vennootschap of ten behoeve van een, tot dezelfde groep behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon:

    i). het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of verlenen van bijstand;

    (…)

    Artikel 10

  5. Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld aan trustkantoren. Hieronder worden begrepen regels met betrekking tot de administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie - en de interne controle, zodanig dat:

    1. het trustkantoor de identiteit kent van de uiteindelijk belanghebbende of over informatie beschikt waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is;

    2. het trustkantoor kennis heeft van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap;

    3. het trustkantoor kennis heeft van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort;

    4. het trustkantoor kennis heeft van het doel waarmee de in onderdeel c bedoelde structuur is opgezet;

    5. het trustkantoor de identiteit kent van de koper en van de houders van een gekwalificeerde deelneming in de koper, indien door het trustkantoor een dienst wordt verleend als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 3°;

    6. het trustkantoor in zijn hoedanigheid van trustee de identiteit kent van de insteller van een trust in de zin van het Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts;

    7. door het trustkantoor geen dienst wordt verleend, indien niet wordt voldaan aan onderdeel a of e.

  6. Een trustkantoor zendt binnen een door de toezichthouder te stellen redelijke termijn aan de toezichthouder desgevraagd een rapportage omtrent zijn bedrijfsvoering en administratieve organisatie en interne controle. De toezichthouder bepaalt de wijze waarop de rapportage geschiedt en de periode waarop de rapportage betrekking heeft.

    Artikel 20

  7. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen (…) 10 (…).

    (…)

    Artikel 21

  8. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen (…) 10 (…).

    (…)

    Artikel 23

    Degene jegens wie door de toezichthouder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.”

    In artikel 1 van het van het Overdrachtsbesluit integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (Stb. 2004, 57; hierna: Overdrachtsbesluit) is bepaald dat de toezichthouder bevoegd is om met het oog op een integere bedrijfsvoering aan trustkantoren regels te stellen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wtt. DNB heeft, gelet op artikel 10, eerste lid, Wtt in samenhang met artikel 1 van het Overdrachtsbesluit, de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren vastgesteld (Stcrt. 27 februari 2004, nr. 40 / p. 29; hierna: Rib). De Rib luidde ten tijde en voor zover van belang als volgt.

    “Artikel 12

  9. Het trustkantoor kent de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende van een doelvennootschap en beschikt over gegevens aan de hand waarvan is bepaald wie als uiteindelijk belanghebbende kwalificeert en aan de hand waarvan de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende is vastgesteld.

  10. Indien een doelvennootschap geen uiteindelijk belanghebbende heeft, beschikt het trustkantoor over gegevens aan de hand waarvan dit is bepaald.

  11. Het trustkantoor verleent geen dienst voordat aan het eerste of tweede lid is voldaan.

    Artikel 13

  12. Het trustkantoor heeft bij het verlenen van een dienst aan een doelvennootschap kennis van de herkomst van het vermogen van de doelvennootschap en legt de gegevens omtrent het onderzoek naar de herkomst van het vermogen vast.

  13. Het trustkantoor beschikt over gegevens die ten grondslag liggen aan de herkomst en bestemming van middelen van de doelvennootschap en beoordeelt of hieraan integriteitsrisico’s zijn verbonden.

    Artikel 14

    Het trustkantoor heeft kennis van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort en het doel waarmee de structuur is opgezet en beschikt over gegevens waaruit deze relevante delen en het doel van de structuur blijken.

    (…)

    Artikel 18

  14. Het trustkantoor beschikt over een cliëntacceptatiedossier voor iedere doelvennootschap en terzake van iedere verkoop van een rechtspersoon en terzake van iedere trust waarbij het trustkantoor als trustee optreedt. Een cliëntacceptatiedossier bevat tenminste de volgende bescheiden:

    1. de schriftelijke overeenkomsten tussen het trustkantoor en de doel-vennootschap en andere overeenkomsten die het trustkantoor heeft gesloten terzake van de door het trustkantoor geleverde diensten waarop het cliëntacceptatiedossier ziet;

    2. een overzicht van de door het trustkantoor geleverde diensten waarop het cliëntacceptatiedossier ziet en de gegevens genoemd in de artikelen 12, 13, eerste lid, 14, 15 en 16.

  15. Het trustkantoor houdt het cliëntacceptatiedossier beschikbaar voor DNB.

  16. Met inachtneming van toepasselijke wettelijke voorschriften wordt een cliëntacceptatiedossier ten minste vijf jaar na beëindiging van de dienstverlening bewaard.

    (…)”

    2.3 Bij besluit van 6 juli 2007 heeft DNB Van Baerle een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekte dat Van Baerle voor alle doelvennootschappen, waaraan zij op 1 februari 2007 trustdiensten verleende, binnen 12 weken na de dag volgend op de dagtekening van dat besluit over de gegevens als bedoeld in artikelen 12, eerste en tweede lid, 13, eerste lid, en 14 van de Rib beschikt en dat zij deze overeenkomstig artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rib in een cliëntacceptatiedossier vastlegt. Tegen dit besluit heeft Van Baerle geen rechtsmiddelen aangewend. Bij de op 9, 16 en 23 oktober en 20 december 2007 verrichte nacontroles heeft DNB geconstateerd dat niet aan de last is voldaan, zodat Van Baerle het bij deze last opgelegde maximale bedrag aan dwangsommen van EUR 100.000,- heeft verbeurd.

    DNB heeft op 5 en 6 maart 2008 wederom een toezichtbezoek afgelegd bij Van Baerle, waarbij van 16 doelvennootschappen de cliëntacceptatiedossiers zijn beoordeeld.

    Bij brief van 24 april 2008 aan Van Baerle heeft DNB een overzicht gegeven van de op 5 en 6 maart 2008 geconstateerde tekortkomingen en meegedeeld dat zij zich bezint op vervolgmaatregelen.

    Bij brief van 3 juli 2008 heeft DNB Van Baerle meegedeeld dat zij voornemens is Van Baerle een last onder dwangsom op te leggen vanwege overtreding van artikel 10 Wtt...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT