Eerste aanleg - meervoudig van Centrale Raad van Beroep, 11 april 2013

Datum uitspraak:11 april 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Weigering over te gaan tot uitbetaling van de gedeclareerde kosten. Wat betreft de kosten van huishoudelijke hulp is ten grondslag gelegd dat de gedeclareerde hulp is verricht door de zoon die bij appellante inwoont, en dat dergelijke hulp niet voor vergoeding in aanmerking komt. Van de gemaakte kosten zijn geen betalingsbewijzen overgelegd. Met betrekking tot de verzorgingshulp is vermeld dat... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/404 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 december 2011 met het kenmerk BZ01323040 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013. Namens appellante is verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, is erkend als vervolgingsslachtoffer in de zin van de Wuv. Appellante heeft op jeugdige leeftijd tijdens internering poliomyelitis doorgemaakt, met als gevolg blijvende lichamelijke beperkingen. Verweerder heeft de bij appellante aanwezige status na poliomyelitis aangemerkt als causale aandoening.

1.2. Tot 1 februari 2001 ontving appellante een vergoeding voor huishoudelijke hulp tot maximaal acht uur per week. Bij besluit van 16 januari 2001 is deze vergoeding per 1 februari 2001 uitgebreid tot maximaal 12 uur per week. Verder is bij dit besluit met ingang van 1 februari 2001 een vergoeding toegekend voor kosten van verzorgingshulp tot maximaal vier uur per week. Hierbij is als voorwaarde gesteld dat deze kosten worden verantwoord aan de hand van nota’s. Bij besluit van 1 mei 2006 is de vergoeding voor huishoudelijke hulp met ingang van 1 oktober 2005 uitgebreid naar maximaal 16 uur per week.

1.3. In januari 2011 heeft appellante een declaratie ingediend ter verkrijging van vergoeding van huishoudelijke hulp en verzorgingshulp over de periode 16 januari 2001 tot 23 januari 2010. Bij besluit van 11 april 2011 heeft verweerder geweigerd om tot uitbetaling van de gedeclareerde kosten over te gaan. Het bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan is wat betreft de kosten van huishoudelijke hulp ten grondslag gelegd dat de gedeclareerde hulp is verricht door zoon Herman, die bij appellante inwoont, en dat dergelijke hulp niet voor vergoeding in aanmerking komt. Verder is erop gewezen dat van de gemaakte kosten geen betalingsbewijzen zijn overgelegd. Met betrekking tot de verzorgingshulp is vermeld dat door...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT