Cassatie van Hoge Raad, April 12, 2013

Datum uitspraak:2013/04/12
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Informatieplicht bank jegens cliënt die borgstellingsovereenkomst afsluit; geen zorgplicht jegens echtgenote van borg in verband met toestemmingsvereiste borgstelling, art. 1:88 BW. Zelfstandige zorgplicht bank jegens echtgenote uit hoofde van klantrelatie; beperkende werking redelijkheid en billijkheid, art. 6:248 lid 2 BW.

 
GRATIS UITTREKSEL

12 april 2013

Eerste Kamer

11/04553

EE/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

  1. [Eiser 1],

    wonende te [woonplaats],

  2. [Eiseres 2],

    wonende te [woonplaats],

    EISERS tot cassatie,

    advocaat: mr. G.R. den Dekker,

    t e g e n

    De COÖPERATIEVE RABOBANK HILVARENBEEK-OISTERWIJK U.A.,

    gevestigd te Oisterwijk,

    VERWEERSTER in cassatie,

    advocaat: aanvankelijk mr. P.A. Ruig, thans mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

    Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1], [eiseres 2] en de Bank.

  3. Het geding in feitelijke instanties

    Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

    a. de vonnissen in de zaak 177011/HA ZA 08-1213 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2008 en 15 juli 2009;

    b. het arrest in de zaak 200.046.554/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2011.

    Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

  4. Het geding in cassatie

    Tegen het arrest van het hof hebben [eiser 1] en [eiseres 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

    De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

    De zaak is voor [eiser 1] en [eiseres 2] toegelicht door hun advocaat en mr. E.C. Rozenboom, advocaat bij de Hoge Raad. Voor de Bank is de zaak toegelicht door haar advocaat en mr. J.W.A. Biemans, advocaat te Amsterdam.

    De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

    De advocaat van de Bank en mr. Biemans voornoemd hebben bij brief van 25 januari 2013 op die conclusie gereageerd.

  5. Beoordeling van het middel

    3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

    (i) [Eiser 1] en [eiseres 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

    (ii) Bij akte van 23 februari 2001 hebben [eiser 1] en [eiseres 2] aan de Bank een recht van eerste hypotheek verleend op hun woning te [plaats] voor een bedrag van € 1.361.340,60 vermeerderd met renten en kosten. Blijkens de hypotheekakte strekt de hypotheek tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank blijkens haar administratie van [eiser 1] te vorderen heeft of mocht hebben.

    (iii) Bij akte van 13 november 2003 heeft de Bank aan [eiser 1] en [eiseres 2] een geldlening verstrekt van € 950.000,--. [Eiser 1] en [eiseres 2] hebben hierna bij akte van 13 november 2003 een recht van tweede hypotheek op hun woning gevestigd ten behoeve van de Bank voor een bedrag van € 500.000,-- vermeerderd met renten en kosten. Blijkens de hypotheekakte strekt de hypotheek tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank blijkens haar administratie van [eiser 1] en [eiseres 2], zowel van hen tezamen als van ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben.

    (iv) Medio november 2005 heeft de Bank een krediet in rekening-courant ten bedrage van € 3.200.000,-- verstrekt aan Peko-Group B.V., Fire Up B.V., Belex Kerkrade B.V. en Baronie/Fire-up Kaarsen, waarvan [eiser 1] directeur-grootaandeelhouder was. Tot de voorwaarden voor dit krediet behoorden dat [eiser 1] een borgtocht zou afgeven voor een bedrag van € 3.000.000,-- en dat hij voor die borgtocht zekerheid zou geven, onder meer in de vorm van een hypotheekrecht op de woning van hem en [eiseres 2].

    (v) [Eiser 1] en [eiseres 2] hebben bij akte van 8 november 2005 een derde hypotheek op hun woning gevestigd ten behoeve van de Bank voor een bedrag van € 1.200.000,-- vermeerderd met renten en kosten. Blijkens de hypotheekakte strekt de hypotheek tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank blijkens haar administratie van [eiser 1] en [eiseres 2] in privé alsmede van Belex Kerkrade B.V., Peko Group B.V. en Fire Up B.V., zowel van hen tezamen als van ieder afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben.

    (vi) Bij akte van 9 november 2005 heeft [eiser 1] zich borg gesteld tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank van Peko-Group B.V., Belex Kerkrade B.V. en Fire-up B.V. te vorderen heeft of mocht hebben. De borg bedraagt maximaal € 3.000.000,--. In de akte is opgenomen dat "De borg verklaart deze borgtocht te hebben gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de debiteur". [Eiseres 2] heeft de akte mee ondertekend, onder de in de akte opgenomen vermelding "Toestemming geregistreerde/gehuwde partner o.g.v. (art. 80b samen met) artikel 88 Boek 1 B.W."

    (vii) Op 12 september 2006 is het faillissement van Peko-Group B.V. uitgesproken.

    (viii) Medio januari 2007 is de woning van [eiser 1] en [eiseres 2] in opdracht van de Bank onderhands verkocht voor € 2.400.000,--. De Bank heeft de opbrengst in de eerste plaats doen strekken in mindering op de schulden waarvoor [eiser 1] de borgtocht had afgegeven. Daardoor resteerde een privéschuld van [eiser 1] en [eiseres 2] aan de Bank van (op dat moment) € 991.115,50.

    (ix) Bij brief van 5 mei 2008 heeft de Bank aan [eiser 1] en [eiseres 2] meegedeeld de aan hen verstrekte leningen met onmiddellijke ingang op te zeggen en hen gesommeerd de openstaande vordering (inmiddels opgelopen tot € 1.041.130,03) te voldoen.

    3.2 De Bank vordert in deze procedure van [eiser 1] en [eiseres 2] betaling van € 1.047.552,03 uit hoofde van de door haar opgezegde leningen en de debetstand van de rekening-courantrekening.

    [Eiser 1] en [eiseres 2] voeren als verweer dat de Bank geen beroep toekomt op de hiervoor in 3.1 onder (iv)-(vi) vermelde borgtocht en hypotheekverlening omdat de Bank is tekortgeschoten in haar zorgplicht bij de totstandkoming daarvan. Zij had [eiser 1] en [eiseres 2], die beiden ook in privé klant waren van de Bank, moeten informeren omtrent de risico's van de borgtocht en hypotheekverlening. In dit verband hebben [eiser 1] en [eiseres 2] aangevoerd dat als gevolg van de borgtocht en de daarop aansluitende hypotheekverlening de Bank voor de schulden van de vennootschappen verhaal kon nemen op de woning van [eiser 1] en [eiseres 2], waardoor de kans bestond dat zij hun privéschulden aan de Bank niet meer uit (de tot dan toe daarvoor toereikende goederen van) de huwelijksgoederengemeenschap konden voldoen. Voor [eiseres 2] zou dit laatste bovendien tot gevolg hebben dat het privévermogen dat zij heeft verkregen uit de erfenis van haar ouders, daartoe voor een aanzienlijk bedrag zou moeten worden aangewend. Een en ander was de Bank duidelijk, maar [eiser 1] en [eiseres 2] niet. In verband met een en ander hebben [eiser 1] en [eiseres 2] een beroep gedaan op dwaling en misbruik van omstandigheden. Voorts hebben zij onder meer aangevoerd dat de Bank hen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan de borgtocht en aan de daarvoor door [eiseres 2] op grond van art. 1:88 BW gegeven toestemming heeft kunnen houden, noch aan de in verband met die borgtocht verleende hypotheek.

    In reconventie hebben [eiser 1] en [eiseres 2] onder andere terugbetaling door de Bank gevorderd van hetgeen door hen op grond van borgtocht en hypotheekverlening is voldaan van de schulden van de vennootschappen.

    3.3 De rechtbank heeft de vordering van de Bank toegewezen en die van [eiser 1] en [eiseres 2] afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof (dat blijkens rov. 19 van zijn arrest veronderstellenderwijs tot uitgangspunt heeft genomen dat in dit geval geen sprake is van een borgtocht als bedoeld in art. 1:88 lid 5 BW) onder meer het volgende overwogen.

    (a) Het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden is onvoldoende onderbouwd. [Eiser 1] en [eiseres 2] hebben in dit verband niet gesteld dat de Bank wist dat zij uitgingen van een onjuist beeld van de gevolgen van de borgtocht. Evenmin hebben zij aangevoerd dat sprake was van een zwakkere positie die hen heeft bewogen met de borgtocht in te stemmen (rov. 8-14). Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden.

    (b) De Bank behoefde [eiser 1] niet nader te informeren omtrent de risico's van de borgtocht. Het was duidelijk voor welke schulden hij zich borg stelde. De reikwijdte van de zorgplicht van een bank in geval van een particuliere borgtocht moet steeds worden bezien in de context van de algemene en specifieke deskundigheid van beide partijen. In dat verband stelt het hof vast dat [eiser 1], die een studie notarieel recht heeft voltooid en vervolgens een zestal jaren als kandidaat-notaris respectievelijk bankfunctionaris heeft gewerkt, niet geacht kan worden te behoren tot de groep van meest kwetsbare en mitsdien beschermingswaardige deelnemers aan het rechtsverkeer, welke specifieke kennis hij dan ook mag hebben overgehouden van zijn studie en de daarop volgende werkzaamheden in een juridische functie. Bovendien was [eiser 1] de bestuurder van de rechtspersonen waarvoor hij borg stond, zodat niet gesproken kan worden van een particulier die zich onwetend van de risico's die hij loopt en ondoordacht of in misplaatst vertrouwen op een goede afloop dan wel op basis van een persoonlijke relatie tot de schuldenaar, stort in een hachelijk financieel avontuur (rov. 40-41).

    (c) De Bank behoefde evenmin [eiseres 2] te informeren omtrent de gevolgen van de borgtocht en van haar toestemming voor het aangaan daarvan op grond van art. 1:88 BW. Anders dan [eiser 1] en [eiseres 2] aanvoeren vloeit die plicht niet voort uit het feit dat [eiseres 2] klant was bij de Bank, omdat de contractuele relatie tussen [eiseres 2] en de Bank op een andere grondslag berust en van een andere aard is dan de in de art. 1:88 en 89 BW besloten liggende beschermingsconstructie die (ook) los van elke contractuele relatie zijn werking heeft. Overigens is er onvoldoende grond om aan te nemen dat de Bank [eiser 1] welbewust op het verkeerde been heeft gezet of dat sprake is van boos opzet van haar zijde. Niet kan dan ook worden geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Bank [eiseres 2] houdt aan de door haar gegeven toestemming (rov. 21-24).

    3.4 De klachten van onderdeel 1 van het middel...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT