Eerste aanleg - meervoudig van Centrale Raad van Beroep, April 18, 2013

Datum uitspraak:2013/04/18
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om herziening wegens het ontbreken van relevante nieuwe feiten of omstandigheden.

 
GRATIS UITTREKSEL

11/3605 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raadskamer Wubo van de Pensioen en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak 18 april 2013.

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellant heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 mei 2011, kenmerk BZ01283735 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schenkhuizen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

  1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1. Appellant, van Molukse afkomst, is in 1945 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In december 2002 heeft hij een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat van het gestelde meemaken van beschietingen en internering tijdens de Bersiapperiode onvoldoende bevestiging is verkregen. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellant is bij besluit van 23 oktober 2003 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft daartegen geen beroep ingesteld. Het weigeringsbesluit van 18 augustus 2003 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

    1.2. Bij brief van 6 juli 2010 heeft appellant verweerder verzocht de eerdere afwijzing te herzien. Bij besluit van 21 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

  2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

    2.1. Ingevolge artikel 61,...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT