Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Oost-Nederland, 26 maart 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:26 maart 2013
Uitgevende instantie::Rechtbank Oost-Nederland
SAMENVATTING

Klacht ex art. 41a Wet Bopz gegrond verklaard. Ten onrechte is nagelaten de beslissing tot het overgaan tot dwangmedicatie, alsmede de beslissing tot voortzetting dan wel hervatting daarvan, eerst schriftelijk aan verzoekster mede te delen. Strijd met art. 38c lid 2 Wet Bopz. Dat de beslissingen wel mondeling zijn gecommuniceerd, dat het ziektebeeld van verzoekster de dwangmedicatie... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

beschikking

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/239746 / FA RK 13-10542

Datum uitspraak: 26 maart 2013

beschikking ex art. 41a Wet Bopz naar aanleiding van het verzoek van

[verzoekster] (nader te noemen: verzoekster)

wonende te [woonplaats], verblijvende te [de instelling]

advocaat mr. A.T.L. van der Meulen te Arnhem.

  1. De procedure

    Het verloop van de procedure blijkt uit:

    - het verzoekschrift, ingekomen op 12 februari 2013;

    - een faxbericht met bijlagen namens [de instelling], ingekomen op 21 februari 2013;

    - een brief met bijlagen namens verzoekster, ingekomen op 22 februari 2013;

    - een afdruk uit digitaal dossier, overlegd ter zitting namens [de instelling].

    Op de zitting van 27 februari 2013 zijn gehoord:

    - verzoekster, bijgestaan door haar advocaat voornoemd;

    - namens [de instelling] [naam], psychiater, en [naam], verpleegkundig specialiste in opleiding.

  2. De vaststaande feiten

    Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 1 oktober 2012 is een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van verzoekster in een psychiatrisch ziekenhuis voor een periode van drie weken verleend.

    Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2012 is een voorlopige machtiging verleend om verzoekster in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en/of te doen verblijven voor een periode van zes maanden.

    Op of omstreeks 16 oktober 2012 is gestart met orale dwangmedicatie jegens verzoekster, en op of omstreeks 27 november 2012 is overgegaan tot depot dwangmedicatie jegens verzoekster.

    Verzoekster heeft geen afschrift van haar behandelplan ontvangen en zij verzet zich tegen de behandeling.

    Op 19 december 2012 heeft verzoekster bij de klachtencommissie van [de instelling] diverse klachten tegen de beslissing tot toepassing van dwangmedicatie ingediend, waaronder de klacht dat zij van bovengenoemde beslissingen tot het toepassen van dwangmedicatie geen schriftelijke motivering heeft ontvangen, en er geen behandelplan aan haar is uitgereikt.

    Verzoekster is op 21 december 2012 gehoord in het kader van voorlopige voorzieningen op het ingediende verzoek om schorsing van de dwangmedicatie, waarna het schorsingsverzoek is afgewezen.

    De klachtencommissie heeft op 8 februari 2013, na de hoorzitting op deze datum, boven genoemde klacht met betrekking tot de schriftelijke motivering en het behandelplan gegrond verklaard en haar overige klachten ongegrond verklaard.

    Op 15 januari 2013 is de dwangmedicatie jegens verzoekster hervat dan wel voortgezet.

    Vervolgens heeft [verzoekster] met betrekking tot haar klachten op 21 februari 2013 een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank.

    Verzoekster ondergaat ten tijde van de terechtzitting nog steeds dwangmedicatie.

  3. Het verzoek

    3.1 Verzoekster verzoekt om haar klachten gegrond te verklaren en om de beslissing tot dwangbehandeling c.q. dwangmedicatie te vernietigen.

    Primair is verzoekster van mening, dat er 1. wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden bij de beslissing om over te gaan tot dwangmedicatie en dat 2. niet is voldaan aan het vereiste van dreigend gevaar. Het behandelplan heeft zij in strijd met de Wet Bopz niet ontvangen. De schriftelijke beslissing dat de dwangmedicatie...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT