Eerste aanleg - meervoudig van Raad van State, 22 mei 2013

Uitgevende instantie::Raad van State
Datum uitspraak:22 mei 2013
SAMENVATTING

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben WMR, het college van Rhenen, de Stichting Comité en [appellant sub 3] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 3] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2013, waar WMR, vertegenwoordigd door mr. A. Derks en drs. J.J. Scholten, de Stichting Comité, vertegenwoordigd door T. van der Stroom-Ewijk, het college van Rhenen, vertegenwoordigd door B.M. Brandenburg-Stroo en H.B.J. Bartelink, [appellant sub 3], bijgestaan door drs. A. Sikking, R. Dobbelsteijn Bisschops, W. Blokland en ir. H. Wieringa, en de raad, vertegenwoordigd door N.J. Stam, J. van Liempd en E.J. Bagerman, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], beiden bijgestaan door mr. W. Kattouw, en [belanghebbende C], vertegenwoordigd door G. van den Broek, gehoord. Overwegingen 1. Het bestemmingsplan voorziet in een bundeling van een aantal afzonderlijke nieuwe ontwikkelingen van particuliere initiatiefnemers in het buitengebied van de gemeente Buren. Met het plan wordt onder meer beoogd een houtversnipperingsbedrijf, te weten een zogenoemd ontschors- en verchipbedrijf, mogelijk te maken op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Lienden, gelegen in de Middelwaard West aan de zuidoever van de Nederrijn. De beroepen van WMR, de Stichting Comité en het college van Rhenen 2. WMR, de Stichting Comité en het college van Rhenen kunnen zich niet verenigen met de in het plan voor [belanghebbende C] op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Lienden opgenomen regeling. 3. Het college van Rhenen heeft ter zitting zijn beroepsgronden met betrekking tot het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en met betrekking tot het zicht vanuit de binnenstad van Rhenen ingetrokken. Aantasting horizon en beeldkwaliteit historische binnenstad 4. WMR en de Stichting Comité voeren aan dat de in het plan voorziene ontwikkelingen onaanvaardbare horizonvervuiling tot gevolg zullen hebben. Ook zal volgens hen de beeldkwaliteit van Rhenen, in het bijzonder die van de historische binnenstad, ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen onaanvaardbaar worden aangetast. Dit brengt volgens WMR en de Stichting Comité nadelige gevolgen met zich voor de inwoners van Rhenen. 4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat vanuit Rhenen slechts beperkt zicht zal bestaan op de in het plan voorziene ontwikkelingen, gelet op de maximaal toegestane hoogte van de bebouwing en opslag op het perceel [locatie 1] en [locatie 2]. Verder wijst de raad erop dat hier geen sprake is van nieuwvestiging, maar van een reeds bestaand bedrijf. 4.2. Aan het perceel [locatie 1] en [locatie 2] is, voor zover thans van belang, de bestemming "Bedrijf - Riviergebonden" toegekend en aan de strook water daarvoor de bestemming "Water - Haven" en de aanduiding "Laad- en losplaats". Ingevolge artikel 10, lid 10.2.1, van de planregels mogen op gronden met de bestemming "Bedrijf - Riviergebonden" uitsluitend worden gebouwd: a. bedrijfsgebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming. Ingevolge artikel 10, lid 10.2.3, van de planregels dienen bij de bouw van de in artikel 10, lid 10.2.1, onder a van de planregels bedoelde bedrijfsgebouwen de volgende bepalingen in acht te worden genomen: a. de hoogte mag niet meer bedragen dan 8 meter; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 meter. Ingevolge artikel 10, lid 10.4, van de planregels is opslag van goederen en materieel in de open lucht, voor zover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 6 meter en de oppervlakte meer bedraagt dan 25.000 m2, in strijd met de bestemming en niet toegestaan. 4.3. De afstand tussen het perceel waarop het bedrijf van [belanghebbende C] is voorzien en het dichtstbijzijnde object aan de overzijde van de Nederrijn, een woning, bedraagt ongeveer 605 meter. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat de afstand tot de historische binnenstad van... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

201205222/1/R2.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Werkgroep Milieubeheer Rhenen (hierna: WMR), gevestigd te Rhenen,

2. het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college van Rhenen), gevestigd te Rhenen,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de stichting Stichting Comité Middelwaard West (hierna: de Stichting Comité), gevestigd te Rhenen,

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben WMR, het college van Rhenen, de Stichting Comité en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2013, waar WMR, vertegenwoordigd door mr. A. Derks en drs. J.J. Scholten, de Stichting Comité, vertegenwoordigd door T. van der Stroom-Ewijk, het college van Rhenen, vertegenwoordigd door B.M. Brandenburg-Stroo en H.B.J. Bartelink, [appellant sub 3], bijgestaan door drs. A. Sikking, R. Dobbelsteijn Bisschops, W. Blokland en ir. H. Wieringa, en de raad, vertegenwoordigd door N.J. Stam, J. van Liempd en E.J. Bagerman, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], beiden bijgestaan door mr. W. Kattouw, en [belanghebbende C], vertegenwoordigd door G. van den Broek, gehoord.

Overwegingen

1. Het bestemmingsplan voorziet in een bundeling van een aantal afzonderlijke nieuwe ontwikkelingen van particuliere initiatiefnemers in het buitengebied van de gemeente Buren. Met het plan wordt onder meer beoogd een houtversnipperingsbedrijf, te weten een zogenoemd ontschors- en verchipbedrijf, mogelijk te maken op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Lienden, gelegen in de Middelwaard West aan de zuidoever van de Nederrijn.

De beroepen van WMR, de Stichting Comité en het college van Rhenen

2. WMR, de Stichting Comité en het college van Rhenen kunnen zich niet verenigen met de in het plan voor [belanghebbende C] op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Lienden opgenomen regeling.

3. Het college van Rhenen heeft ter zitting zijn beroepsgronden met betrekking tot het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en met betrekking tot het zicht vanuit de binnenstad van Rhenen ingetrokken.

Aantasting horizon en beeldkwaliteit historische binnenstad

4. WMR en de Stichting Comité voeren aan dat de in het plan voorziene ontwikkelingen onaanvaardbare horizonvervuiling tot gevolg zullen hebben. Ook zal volgens hen de beeldkwaliteit van Rhenen, in het bijzonder die van de historische binnenstad, ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen onaanvaardbaar worden aangetast. Dit brengt volgens WMR en de Stichting Comité nadelige gevolgen met zich voor de inwoners van Rhenen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat vanuit Rhenen slechts beperkt zicht zal bestaan op de in het plan voorziene ontwikkelingen, gelet op de maximaal toegestane hoogte van de bebouwing en opslag op het perceel [locatie 1] en [locatie 2]. Verder wijst de raad erop dat hier geen sprake is van nieuwvestiging, maar van een reeds bestaand bedrijf.

4.2. Aan het perceel [locatie 1] en [locatie 2] is, voor zover thans van belang, de bestemming "Bedrijf - Riviergebonden" toegekend en aan de strook water daarvoor de bestemming "Water - Haven" en de aanduiding "Laad- en losplaats".

Ingevolge artikel 10, lid 10.2.1, van de planregels mogen op gronden met de bestemming "Bedrijf - Riviergebonden" uitsluitend worden gebouwd:

a. bedrijfsgebouwen;

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.

Ingevolge artikel 10, lid 10.2.3, van de planregels dienen bij de bouw van de in artikel 10, lid 10.2.1, onder a van de planregels bedoelde bedrijfsgebouwen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

a. de hoogte mag niet meer bedragen dan 8 meter;

b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 meter.

Ingevolge artikel 10, lid 10.4, van de planregels is opslag van goederen en materieel in de open lucht, voor zover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 6 meter en de oppervlakte meer bedraagt dan 25.000 m2, in strijd met de bestemming en niet toegestaan.

4.3. De afstand tussen het perceel waarop het bedrijf van [belanghebbende C] is voorzien en het dichtstbijzijnde object aan de overzijde van de Nederrijn, een woning, bedraagt ongeveer 605 meter. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat de afstand tot de historische binnenstad van Rhenen ongeveer 800 meter bedraagt. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht vanuit Rhenen en de beeldkwaliteit van Rhenen, en diens historische binnenstad, door de vestiging van het bedrijf in enige mate zullen worden aangetast. De Afdeling ziet echter, gelet op de hiervoor genoemde afstanden en de maximaal toegestane bouw- en opslaghoogten ter plaatse, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze vermindering zodanig zal zijn dat de raad daaraan doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] alleen is toegestaan binnen het bouwvlak en dat dit bouwvlak aan de zuidkant van het perceel is gelegen. Ook zijn in de directe nabijheid van het perceel waar het bedrijf van [belanghebbende C] is voorzien reeds bedrijven gevestigd en was op het perceel voorheen reeds een bedrijf gevestigd. De betogen falen.

Hinder en brandgevaar

5. WMR en de Stichting Comité stellen dat tijdens de zomermaanden brandgevaar bestaat door broei in het opgeslagen zaagsel en de houtsnippers. Deze broei kan volgens hen ook geurhinder veroorzaken voor de inwoners van Rhenen, nu de schroeilucht die broeiend zaagsel en houtsnippers verspreiden door de overheersende zuidwestelijke wind naar Rhenen wordt gevoerd. Deze geurhinder is volgens WMR en de Stichting Comité ten onrechte niet betrokken in het geuronderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd. WMR en de Stichting Comité wijzen er hierbij op dat dit probleem zich tijdens warme zomers in de afgelopen jaren meer dan eens heeft voorgedaan.

De Stichting Comité stelt verder dat inwoners van Rhenen ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen geluid-, stof- en lichthinder zullen ondervinden.

5.1. De raad wijst erop dat het productieproces van [belanghebbende C] erop is gericht het hout zoveel mogelijk intact te laten en dat broei in het hout wordt voorkomen doordat de opslag van het hout plaatsvindt in compartimenten. Ook wijst de raad erop dat vooroverleg heeft plaatsgevonden met de brandweer en dat dit niet heeft geleid tot het opleggen van aanvullende maatregelen.

5.2. Ter zitting is gebleken dat na 2007 ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende C] geen geurhinder meer is opgetreden, omdat [belanghebbende C] maatregelen heeft genomen om broei te voorkomen. Hiertoe heeft [belanghebbende C] erop gewezen dat het hout in compartimenten wordt opgeslagen. Ook heeft [belanghebbende C] erop gewezen dat het treffen van effectieve maatregelen tegen broei ook in haar belang is, nu broei een waardevermindering van het opgeslagen hout tot gevolg heeft.

WMR en de Stichting Comité hebben niet aannemelijk gemaakt dat de huidige maatregelen tegen brand en broei, zoals het onderbrengen van het hout in compartimenten, niet voldoende...

Om verder te lezen

PROBEER HET GRATIS UIT