Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 21 mei 2013

Datum uitspraak:21 mei 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

I. Intrekking en terugvordering bijstand. Periode 1) Beoordelingsperiode. Toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode van 9 september 2009 tot 10 juni 2010 onvolledige en/of onjuiste informatie over zijn woon- en leefsituatie heeft verstrekt. Periode 2) Voor de periode van 10 juni 2010 tot en met 7 juli 2010 ontbreekt een toereikende feitelijke grondslag voor de ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/3867 WWB, 11/5453 WWBCentrale Raad van BeroepMeervoudige kamerUitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 26 mei 2011, 10/1142 (aangevallen uitspraak 1) en 11 augustus 2011, 11/380 (aangevallen uitspraak 2)Partijen:[A.O. te G.] (appellant)het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)Datum uitspraak: 21 mei 2013PROCESVERLOOPNamens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroepen ingesteld.Het college heeft verweerschriften ingediend.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Grommers.OVERWEGINGEN1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.1.1. Appellant ontving sinds 1 juli 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Hij staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Groningen (GBA) vanaf 26 juni 2009 ingeschreven op het adres [adres 1] te Groningen (uitkeringsadres).1.2. De Dienst Sociale Zaken van de gemeente Groningen (Dienst) heeft via het Regionaal Coördinatiepunt Fraudebestrijding Noord op 25 februari 2010 een fraudemelding ontvangen van woningbouwvereniging [N. ], inhoudende dat appellant bij zijn ex-partner woont en zijn woning onderverhuurt aan vier dames. Naar aanleiding daarvan hebben fraudecontroleurs van de Dienst een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de fraudecontroleurs bij de leveranciers van water en energie gegevens over het water-, gas- en elektriciteitsverbruik op het uitkeringsadres opgevraagd, de GBA geraadpleegd en op 1 juni 2010 huisbezoeken afgelegd aan het uitkeringsadres, aan het adres [adres 2] te Groningen - het adres van de ex-partner van appellant - en aan het adres [adres 3] te Groningen, het adres van V.R. [M.] (adres van M), de toenmalige vriendin van appellant (M).1.3. Het college heeft in de bevindingen van de huisbezoeken, neergelegd in een rapportage van 2 juni 2010, aanleiding gezien de uitbetaling van bijstand aan appellant met ingang van 1 juni 2010 te blokkeren. In de rapportage van 2 juni 2010 is, samengevat, het volgende opgenomen. Medewerkers van de Dienst hebben om 8.50 uur aangebeld bij de woning op het uitkeringsadres. De deur werd geopend door een Bulgaarse man, die zei dat hij samen met zijn vrouw uit Bulgarije was gekomen en sinds twee weken bij appellant verbleef. Appellant zelf was er niet. Tijdens het gelijktijdig afgelegde huisbezoek aan het adres [adres 2] is appellant aangetroffen. Hij bleek op dat adres te hebben geslapen. Vervolgens is in aanwezigheid van appellant een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Geconfronteerd met de aangetroffen Bulgaren in zijn woning verklaart appellant dat het vrienden zijn van zijn nieuwe Bulgaarse vriendin, dat geregeld vrienden dan wel familie van haar komen logeren en dat hij zelf sinds twee maanden verblijft bij M, die sinds 1 april 2010 woont op het adres van M. Appellant reageert niet op de confrontatie met het hoge waterverbruik en de fraudemelding van [N. ] en antwoordt niet op de vragen of het hoge verbruik door het bezoek wordt veroorzaakt en of sprake is van onderhuur. In de woonkamer staat een eenpersoonsbed. In de ‘ensuite-kamer’, die als slaapkamer is ingericht, staat een tweepersoonsbed met matras, maar zonder beddengoed. Appellant verklaart hier twee maanden geleden voor het laatst te hebben geslapen. In de slaapkamer links in de hal staan een eenpersoonsbed en een tweepersoonsbed. In de open kast ligt kleding, wasmiddel en voedsel. De meubels zijn van appellant, de overige spullen zijn van het bezoek. In de slaapkamer rechts van de hal staan twee eenpersoonsbedden. Er is een open kast vol met kleding. Naast het bed staan twee accordeons en een accordeonkoffer. Alleen de meubels zijn van appellant. In de keuken staat vaat en etensborden van twee maaltijden. Appellant heeft dit niet gebruikt. De etenswaren in de koelkast zijn, op een pakje kaas na, van het bezoek. Vervolgens wordt een huisbezoek afgelegd aan het adres van M. In de aanwezige kledingkast ligt kleding van appellant en worden verzorgingsproducten van hem aangetroffen, waaronder een middel tegen hoesten.1.4. Appellant heeft bij brief van 8...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT