Voorlopige voorziening+bodemzaak van Rechtbank Den Haag, Roermond, 1 mei 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 1 mei 2013
Uitgevende instantie::Roermond
SAMENVATTING

Samenvatting voor publicatie AWB 13 / 9329 en AWB 13 / 9330 Trefwoorden: artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw 2000; duurzame bescherming tegen refoulement; Saoedi-Arabië en Eritrea; christen, artikel 3.35 Voorschrift Vreemdelingen Samenvatting: Eiseres, van Eritrese afkomst, woont en werkt sinds 36 jaar in Saoedi-Arabië en beschikt over een verblijfsvergunning die haar daartoe in staat stelt. De rechter is, anders dan verweerder, van oordeel dat die verblijfsvergunning geen duurzame bescherming biedt tegen terugzending naar Eritrea of dat eiseres een zodanige verblijfsvergunning zou kunnen... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13 / 9330 en AWB 13 / 9329

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 13 / 9329. Zij heeft verder de voorzieningenrechter (de rechter) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 13 / 9330.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. drs. R.E.J.M. van den Toorn als waarnemer voor haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig S.A. Mohammed.

Overwegingen

  1. Na afloop van de zitting is de rechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De rechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

  2. Eiseres is volgens haar verklaring geboren op 1 januari 1955 en heeft de Eritrese nationaliteit. Zij heeft op 26 maart 2013 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan die aanvraag heeft eiseres – kort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat zij in 1977 vanuit Eritrea op illegale wijze naar Soedan is vertrokken. Uiteindelijk is eiseres in Saoedi-Arabië terecht gekomen. Zij is 18 jaar geleden teruggekeerd naar Eritrea in verband met de bruiloft van haar dochter en heeft Eritrea daarna weer op legale wijze verlaten en is teruggekeerd naar Saoedi-Arabië. Eiseres heeft zich 16 jaar geleden bekeerd tot de Pinkstergemeente en heeft haar geloof in Saoedi-Arabië altijd in het geheim beleden. Indien de autoriteiten in Saoedi-Arabië achter haar geloofsovertuiging komen, vreest zij te worden teruggestuurd naar Eritrea waar zij evenmin haar geloof vrij mag belijden.

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat Saoedi-Arabië kan worden aangemerkt als land van eerder verblijf dat eiseres zal toelaten totdat zij elders duurzame bescherming zal vinden. Tevens heeft verweerder de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 3.35 van het Voorschrift Vreemdelingen (Vv) en gesteld dat het relaas van eiseres positieve overtuigingskracht mist. Verweerder acht het geloofwaardig dat eiseres altijd christen is geweest, maar acht de religieuze ommekeer van orthodox christen naar lid van de Pinksterbeweging niet geloofwaardig.

  4. Eiseres heeft in beroep onder meer betoogd dat zij wel degelijk geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd aangaande haar bekering tot de Pinkstergemeente, zodat van haar relaas positieve overtuigingskracht uitgaat. Daarnaast is volgens eiseres in haar geval geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000. Omdat eiseres niet tijdig is teruggekeerd naar Saoedi-Arabië heeft zij daar immers geen werk en dus ook geen geldig verblijfsrecht meer. Eiseres heeft daarnaast betoogd dat haar wedertoelating als christen tot Saoedi-Arabië niet is gewaarborgd.

  5. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting richt het beroep zich tegen verweerders besluit voor zover eiseres niet in aanmerking is gebracht voor een verblijfsvergunning op één van de gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000.

  6. De rechter overweegt als volgt.

  7. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is dus aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

    Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat zij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

  8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in zijn uitspraak van 13 maart 2003 (LJN: AF7606) onder meer het volgende overwogen:

    “ (…) dient, gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM eerst te worden beoordeeld of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, dan wel of hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, onder b omschreven risico loopt. Indien het een noch het ander het geval is, moet vervolgens worden beoordeeld of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas geen grond geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op voet van achtereenvolgens artikel 29, eerste lid, onder c en d van de Vw 2000. Deze wijze...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT