Hoger beroep kort geding van Gerechtshof Den Haag, May 28, 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2013/05/28
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
SAMENVATTING

uitlevering aan de VS; art. 3 EVRM; vraag of functionarissen van de verzoekende staat betrokken waren bij foltering van de uit te leveren persoon; onderzoeksplicht aangezochte staat.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.124.971/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/434353/KG ZA 13-10

arrest van 28 mei 2013

inzake

[X],

thans verblijvende te […],

appellant,

hierna te noemen: [X],

advocaat: mr. A.M. Seebregts te Rotterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 21 maart 2013 heeft [X] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 16 februari 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, in kort geding gewezen tussen partijen. In dit exploot heeft [X] tegen het bestreden vonnis vijf grieven aangevoerd. Bij brief van 11 april 2013 heeft [X] aan het hof een stuk getiteld "memorie van grieven (nadere toelichting op de grieven)" (met producties) toegezonden. De Staat heeft bij op 17 april 2013 in het geding gebrachte memorie van antwoord de grieven bestreden. Op 22 april 2013 hebben partijen de zaak (tegelijk met de eveneens bij het hof aanhangige zaak nr. 200.124.898/01) voor het hof doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. [X] heeft bij gelegenheid nog producties in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 Aangezien geen grieven zijn gericht tegen de feiten die de voorzieningenrechter onder 1.1 tot en met 1.10 van het bestreden vonnis heeft weergegeven, zal ook het hof van deze feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2 [X] heeft zowel de Nederlandse als de Pakistaanse nationaliteit.

1.3 Op of omstreeks 20 september 2010 is [X] in Pakistan aangehouden door de Pakistaanse autoriteiten, waarna hij aldaar in detentie is genomen.

1.4 Op 14 januari 2011 hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (de 'VS') aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om [X] voorlopig aan te houden met het oog op diens uitlevering aan de VS.

1.5 Op 29 april 2011 is [X] Pakistan uitgezet en per vliegtuig naar Nederland gestuurd, nadat de Pakistaanse autoriteiten bij de Nederlandse autoriteiten hadden gevraagd of Nederland bereid zou zijn [X] tot Nederlands grondgebied toe te laten en de Nederlandse autoriteiten daarop bevestigend hadden geantwoord. Nadat [X] op Schiphol was aangekomen is hij voorlopig aangehouden op basis van de Uitleveringswet (Uw).

1.6 Op 23 juni 2011 hebben de autoriteiten van de VS een verzoek tot uitlevering van [X] overhandigd aan de Nederlandse Ambassade te Washington. Kort gezegd verdenken zij [X] er van dat hij in Afghanistan voor Al Qaeda heeft gevochten tegen militaire troepen van de VS.

1.7 Bij uitspraak van 3 oktober 2011 heeft de (strafkamer van de) rechtbank Rotterdam de uitlevering van [X] aan de VS toelaatbaar verklaard. Deze uitspraak is op 17 oktober 2011 toegezonden aan de minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister'). In de begeleidende brief deelt de rechtbank Rotterdam - bij wijze van advies in de zin van artikel 30 lid 2 Uw - mee dat haar geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de uitlevering op voorhand ontraden zou moeten worden. Wel geeft zij de Minister in overweging om bij de besluitvorming aandacht te besteden aan het verweer van [X] dat bij uitlevering een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ('EVRM') strijdige behandeling zou kunnen plaatsvinden.

1.8 Bij arrest van 17 april 2012 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [X] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2011 verworpen.

1.9 [X] heeft bij brieven van 8 mei 2012 en 19 september 2012 zijn bezwaren tegen uitlevering aan de VS kenbaar gemaakt aan de Minister.

1.10 Bij beschikking van 30 november 2012 heeft de rechtbank Rotterdam de uitleveringsdetentie van [X] geschorst onder voorwaarden. De schorsing heeft geduurd van 3 december 2012 tot 20 december 2012.

1.11 Bij beschikking van 20 december 2012 heeft de Minister de uitlevering van [X] aan de VS toegestaan, als gevolg waarvan de schorsing van de uitleveringsdetentie werd opgeheven. In zijn beschikking heeft de Minister overwogen dat niet aannemelijk is dat de VS betrokken zijn geweest bij beweerdelijke folteringen van [X] in Pakistan en dat voor een nader onderzoek hiernaar onvoldoende aanleiding is.

1.12 In dit geding...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT