Voorlopige voorziening+bodemzaak van Rechtbank Den Haag, Voorzieningenrechter, 7 mei 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak: 7 mei 2013
Uitgevende instantie::Voorzieningenrechter
SAMENVATTING

In geschil is of ten aanzien van eiser sprake is van ‘knowing en personal participation’ in verband met de gedragingen waarmee hij door verweerder in verband wordt gebracht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op het voorgaande, terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘knowing participation’, als bedoeld in de in het beleid genoemde b-grond. Verweerder heeft... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/26943 (beroep)

AWB 12/26950 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 7 mei 2013 in de zaak tussen

[naam eiser/verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. A.H. Hekman, advocaat te Utrecht),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Fairweather, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Eiser heeft op 23 september 2008 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 16 februari 2009 afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het hiertegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Almelo bij uitspraak van 18 februari 2010 (AWB 09/5149) gegrond verklaard en het besluit van 16 februari 2009 vernietigd.

Tegen deze uitspraak is door verweerder op 26 februari 2010 verzet gedaan. Bij uitspraak in verzet van 14 juni 2010 (AWB 09/5149) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, het verzet gegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak van 18 februari 2010 is vervallen.

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, van 21 oktober 2010 (AWB 09/5149) is het beroep tegen het besluit van 16 februari 2009 gegrond verklaard.

Bij besluit van 18 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en tegen eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 29 januari 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Juridisch kader

1. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.

2. Op grond van artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) is van vluchtelingschap sprake in geval de vreemdeling afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

3. Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

5. Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

  1. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

  2. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; of

  3. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

6. In C4/3.11.3.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder een nadere uitwerking van de beoordeling van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag neergelegd. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen. De bewijslast voor het aantonen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is een bijzondere. De minister moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van hem kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan aan betrokkene artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de ‘personal and knowing participation test’ (artikel 25 en 27 tot en met 33 Statuut van Rome).

Beoordeling

7. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder k, van dat artikel. Verweerder legt aan dit besluit ten grondslag dat eiser in verband moet worden gebracht met marteling, buitengerechtelijke executies en de (mislukte) aanslag op de Amerikaanse president George Bush sr. in 1993 in Koeweit, waardoor artikel 1(F), aanhef en onder a, b, en c, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Verweerder heeft zijn conclusie gebaseerd op algemene informatie over de Iraakse Algemene Inlichtingendienst en de verklaringen van eiser omtrent zijn functies en werkzaamheden in de periode van [periode] voor de Iraakse Algemene Inlichtingendienst (Jihaz Al-Mukhabarat al-amma). Volgens verweerder loopt eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

8. Niet in geschil is dat de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, te weten marteling, buitengerechtelijke executies en de (mislukte) aanslag op de Amerikaanse president George Bush sr. in 1993 in Koeweit, gedragingen zijn als bedoeld in artikel 1(F), onder a, b en c, Vluchtelingenverdrag. In geschil is of ten aanzien van eiser sprake is van ‘knowing en personal participation’ in verband met die gedragingen.

Knowing en personal participation

9. De rechtbank zal in dit kader eerst het beroep van eiser op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 9 november 2010, C-57/09 en C-101/09, inzake Duitsland tegen B. en D. (LJN: BO5518) behandelen, nu eiser stelt dat verweerder zowel bij de beoordeling van de ‘knowing participation’ als bij de beoordeling van de ‘personal participation’ de individuele feiten en omstandigheden onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken.

9.1 Het Hof heeft in het door eiser aangehaalde arrest geoordeeld dat het enkele feit dat iemand behoort tot een organisatie waarvan in het algemeen wordt aangenomen dat deze verantwoordelijk kan worden gehouden voor schendingen van artikel 12, tweede lid, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn), dan wel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet automatisch een ernstige reden is om aan te nemen dat die persoon een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Rechtsoverwegingen 96 en 97 van het arrest van het Hof van 9 november 2010 luiden als volgt:

“96. Deze individuele verantwoordelijkheid moet zowel aan de hand van objectieve criteria als aan de hand van subjectieve criteria worden vastgesteld.

97. Daartoe moet de bevoegde...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT