Voorlopige voorziening van Rechtbank Rotterdam, 30 de Mayo de 2013

Sprekergepubliceerd
Datum uitspraak30 de Mayo de 2013
Uitgevende instantie:Rechtbank Rotterdam

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/2226

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 mei 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

de stichting [A], te [B], verzoekster,

gemachtigden: mr. J. Hagers en prof. dr. E. Lutjens,

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,

gemachtigde: mr. C.M. Bitter.

Procesverloop

Bij brief van 18 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft DNB verzoekster in kennis gesteld van de doorhaling van haar inschrijving in het register van pensioenfondsen als bedoeld in artikel 210 van de Pensioenwet (Pw), omdat zij volgens DNB geen pensioenfonds is in de zin van artikel 1 en verder van de Pw en geen instelling voor bedrijfspensioenvoorziening in de zin van artikel 1 en verder van de Richtlijn 2003/41/EG (Richtlijn).

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

DNB heeft de uitvoering van het bestreden besluit opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Aan de zijde van verzoekster zijn onder meer verschenen haar gemachtigden, mr. C.L.M. van den Heuvel en [C], bestuurder van verzoekster. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die zich heeft laten bijstaan door mr. drs. A.C.M. Kuypers en T. de Bie, beiden werkzaam bij DNB.

Overwegingen

  1. Aan het bestreden besluit heeft DNB ten grondslag gelegd dat verzoekster niet kwalificeert als een pensioenfonds, omdat zij feitelijk niet tot doel heeft activiteiten te verrichten in verband met pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Om die reden haalt DNB de inschrijving van verzoekster in het register van pensioen¬fondsen door. Als verzoekster wel een pensioenfonds zou zijn, geldt dat zij ernstig in gebreke blijft bij het voldoen aan de verplichtingen die op haar van toepassing zijn, aldus DNB.

  2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

    Voor zover de daartoe uit te voeren...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT