Eerste aanleg - meervoudig van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, May 22, 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2013/05/22
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
SAMENVATTING

Inkomstenbelasting. KB-luxzaak.

 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 04/01269

uitspraakdatum: 22 mei 2013

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

  1. Ontstaan en loop van het geding

    1.1. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 1990 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000. De navorderingsaanslagen over de jaren tot en met 1997 zijn verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting. De Inspecteur heeft deze verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden. Over de jaren 1998 tot en met 2000 heeft de Inspecteur, gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen boetebeschikkingen vastgesteld. Voorts is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

    1.2. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, kwijtscheldingsbesluiten en boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen, kwijtscheldingsbesluiten en boetebeschikkingen bij in één geschrift vervatte uitspraken gehandhaafd en besloten de verhogingen niet kwijt te schelden.

    1.3. Het beroepschrift tegen de uitspraken van de Inspecteur is op 19 juli 2004 ter griffie ingekomen en is aangevuld bij brieven van 5 augustus 2004, 1 juli 2005 en 27 juli 2005.

    1.4. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

    1.5. Het Hof heeft de Inspecteur op grond van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om toezending van het Draaiboek rekeningenproject en de tien daarbij behorende Nieuwsbrieven (hierna: de stukken). De Inspecteur heeft op 6 maart 2006 een zogenoemde geschoonde versie van de stukken overgelegd. Op 16 maart 2006 heeft de Inspecteur de integrale, ongeschoonde, versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven (hierna: de integrale versie) overgelegd met, naar het Hof heeft begrepen, de mededeling als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, Awb, dat alleen het Hof kennis zal mogen nemen van de integrale versie. Voor het nemen van een beslissing over de gerechtvaardigdheid daarvan heeft de tweede meervoudige belastingkamer van het Hof de behandeling van de zaak verwezen naar de eerste meervoudige belastingkamer.

    1.6. Na het horen van partijen op 3 april 2006 heeft de eerste meervoudige belastingkamer van het Hof op 20 april 2006 beslist dat het de weigering van de Inspecteur om de integrale versie van de stukken over te leggen niet gerechtvaardigd acht.

    1.7. Nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 augustus 2007, nr. 42.715, LJN BA0582, in een soortgelijk geval als het onderhavige had beslist dat niet tot een op artikel 8:29, derde lid, Awb gebaseerde beslissing mag worden gekomen zonder kennisneming van het integrale procesdossier, is het Hof tot de conclusie gekomen dat zijn hiervoor vermelde beslissing van 20 april 2006 zal moeten worden herroepen en een nieuwe beslissing zal moeten worden genomen.

    1.8. Het Hof heeft daaropvolgend partijen bij brief van 29 oktober 2009 ingelicht omtrent zijn voornemen de onderhavige zaak en soortgelijke zaken verder in behandeling te nemen en hen verzocht, mede naar aanleiding van inmiddels ter zake verschenen jurisprudentie, opnieuw van hun gevoelen omtrent deze aangelegenheid te doen blijken. Daarbij is aangegeven dat, ten einde de voortgang van alle nog lopende zaken met het onderhavige onderwerp te bewaken en de afhandeling daarvan zoveel mogelijk te stroomlijnen, gekozen is voor (nagenoeg) gelijktijdige behandeling daarvan.

    1.9. De Inspecteur heeft zich bij brief van 24 november 2009 nader op het standpunt gesteld dat een geschoonde versie van de stukken kan worden overgelegd met inachtneming van de tussenuitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 19 april 2006, nr. 04/04923, LJN AW2127, en de aanvullingen die de rechtbank Breda daarop heeft aangebracht in haar tussenuitspraak van 3 januari 2007, nr. 05/02586, LJN AZ5534, welke aanvullingen de Inspecteur heeft opgenomen bij de brief van 24 november 2009.

    1.10. Belanghebbende heeft volhard in zijn standpunt dat de integrale versie van de stukken moet worden overgelegd.

    1.11. Van de nader door partijen overgelegde stukken zijn afschriften gezonden aan de wederpartij.

    1.12. Vervolgens heeft de tweede meervoudige belastingkamer van het Hof kennis genomen van het gehele dossier.

    1.13. Het Hof heeft partijen bij brief van 25 november 2009, herbevestigd bij brief van 22 januari 2010, uitgenodigd om tijdens een onderzoek ter zitting van het Hof van 3 februari 2010 te Arnhem een nadere toelichting te geven op hun standpunten. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur, tot bijstand vergezeld door mr. M.W. Kiel. De gemachtigde van belanghebbende, mr. A te Q, is met bericht aan het Hof niet verschenen. Hij heeft het Hof op de dag van de zitting, om 8:30 uur, bij monde van zijn secretaresse, laten weten in verband met een daags tevoren opgelopen enkelblessure niet ter zitting te kunnen verschijnen omdat zijn arts hem, na raadpleging, heeft geadviseerd geen auto te rijden. Hij heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak ter zitting. Daaropvolgend heeft de griffier van het Hof de secretaresse telefonisch benaderd met de mededeling dat het Hof vooralsnog geen aanleiding had gevonden de zaak aan te houden, en gevraagd naar de mogelijkheid om de gemachtigde per taxi of anderszins per auto naar het Hof te vervoeren omdat, gelet op het grote aantal te behandelen zaken, het zeer wenselijk zou zijn dat de mondelinge behandeling doorgang zou vinden. Voorts is gevraagd, gelet op de aard van het onderzoek ter zitting, te volstaan met het toesturen per fax van de pleitnotitie. Daarop heeft de secretaresse aangegeven dat de gemachtigde de zaak niet met een pleitnotitie had voorbereid doch “uit het hoofd” wilde toelichten. Nadien heeft de griffier de secretaresse van de gemachtigde verzocht een medische verklaring over te leggen waaruit volgt dat het verschijnen ter zitting van mr. A niet mogelijk is. Mr. A heeft omstreeks 9:45 uur de griffier telefonisch benaderd en met stemverheffing en in grievende bewoordingen laten weten dat zijn medische situatie is beoordeeld door zijn echtgenote die huisarts is en dat hij niet van zins is een medische verklaring over te leggen. Daaropvolgend heeft het Hof in raadkamer beslist dat de mondelinge behandeling niet zal worden aangehouden nu vanwege het ontbreken van objectieve en verifieerbare gegevens niet kan worden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT