Hoger beroep van Gerechtshof Amsterdam, Notariskamer, 21 mei 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:21 mei 2013
Uitgevende instantie::Notariskamer
SAMENVATTING

De verwijten die de notaris worden gemaakt in het hoger beroep dat is ingesteld door het BFT betreffen a) de bedenkingen die de voorzitter van de kamer op grond van artikel 96 lid 6 Wna aan de kamer heeft voorgelegd, waarbij voor wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep het BFT op grond van artikel 107 lid 1 Wna als klager wordt aangemerkt en B) de zelfstandige klachten van... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

beslissing

____________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummers: 200.074.741/01 NOT en 200.075.303/01 NOT

zaaknummers kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam:

426659/ NT 09-16 P en 449163/ NT 10-5 P

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 21 mei 2013

in de zaak met zaaknummer 200.074.741/01 NOT van:

BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

gevestigd te Utrecht,

APPELLANT,

gemachtigden: 1. drs. M.J.V. Freijssen RA,

  1. mr. D.S. Kolkman,

  2. F.J Winkel RA,

    t e g e n

    [ NOTARIS ],

    notaris te [ plaatsnaam ],

    GEÏNTIMEERDE,

    gemachtigden: 1. mr. T.P. Hoekstra,

  3. mr. J. Mencke,

    beiden advocaat te Amsterdam,

    en in de zaak met zaaknummer 200.075.303/01 NOT van:

    [ NOTARIS ],

    notaris te [ plaatsnaam ],

    GEÏNTIMEERDE,

    gemachtigden: 1. mr. T.P. Hoekstra,

  4. mr. J. Mencke,

    beiden advocaat te Amsterdam,

    t e g e n

    BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

    gevestigd te Utrecht,

    APPELLANT,

    gemachtigden: 1. drs. M.J.V. Freijssen RA,

  5. mr. D.S. Kolkman,

  6. F.J. Winkel RA.

  7. De gedingen in hoger beroep

    1.1. Op 20 maart 2012 (LJN BV9544) heeft het hof een tussenbeslissing (hierna: de tussenbeslissing) gegeven in deze zaken. Voor het verloop van de gedingen tot dan toe verwijst het hof naar de tussenbeslissing.

    1.2. In de tussenbeslissing heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich (mede in het licht van ’s hofs oordelen in deze tussenbeslissing) nader uit te laten en desgewenst nadere producties in het geding te brengen omtrent de vraag of:

    - het aannemelijk is dat het BFT in concrete onderdelen van zijn onderzoek de grenzen van zijn onderzoeksbevoegdheden voortvloeiende uit artikel 96 Wet op het notarisambt, verder Wna, heeft overschreden;

    - de (mogelijke) overschrijding van het BFT van zijn onderzoeksbevoegdheden voortvloeiende uit artikel 96 Wna de belangen van de notaris heeft geschaad;

    - er bij het onderzoek zoals dit door het BFT is verricht, sprake is van welbewuste overschrijding van zijn onderzoeksbevoegdheid dan wel van bijvangst.

    1.3. Van de zijde van het BFT is op 1 mei 2012 een brief – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

    1.4. Van de zijde van de notaris is op 4 mei 2012 een brief – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

    1.5. De mondelinge behandeling van de zaak is heropend en hervat ter openbare terechtzitting van het hof van 13 juni 2012. De gemachtigden van het BFT, de notaris alsmede diens gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigden mede aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s.

  8. De standpunten van partijen

    Voor de standpunten van partijen verwijst het hof naar de tussenbeslissing, zulks onder aanvulling van het volgende.

    Voor zover in de tussenbeslissing onder “5. Het standpunt van de notaris” niet is weergegeven dat (aldus de notaris in zijn beroepschrift onder 1.8.) de kamer ten onrechte een patroon in een viertal – op zichzelf staande – transacties voldoende heeft geacht om tot een tuchtrechtelijk verwijt te komen en dat de kamer hiermee heeft miskend dat iedere transactie afzonderlijk op zijn merites dient te worden beoordeeld, vult het hof het standpunt van de notaris op dit punt aan en zal het hof dit (mede) in zijn beoordeling betrekken.

  9. De beoordeling

    Algemeen

    3.1.1. Aan het hof liggen thans ter beoordeling voor:

    1. de bedenkingen die de voorzitter van de kamer op grond van artikel 96 lid 6 Wna aan de kamer heeft voorgelegd, waarbij voor wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep het BFT op grond van artikel 107 lid 1 Wna als klager wordt aangemerkt; en

    2. de zelfstandige klachten van het BFT,

    zoals geformuleerd in de tussenbeslissing onder 4.1. tot en met 4.4.

    3.1.2. In zijn beoordeling zal het hof hetgeen reeds is overwogen in de tussenbeslissing en de aanvullende stukken van de zijde van het BFT (ingekomen op 1 mei 2012) respectievelijk de notaris (ingekomen op 4 mei 2012), mede betrekken.

    3.2.1. Alvorens tot beoordeling van de bedenkingen en klachten over te gaan, dient het hof te beslissen op het betoog van de notaris dat het onderzoeksrapport van het BFT van 29 april 2009 in zijn geheel niet als basis kan dienen voor bedenkingen en/of klachten en dat het BFT in al zijn hoedanigheden (waaronder de hoedanigheid van klager op grond van artikel 107 lid 1 Wna) niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Het BFT zou (aldus de notaris) bij zijn onderzoek welbewust buiten de grenzen van zijn – wettelijke – bevoegdheden zijn getreden, hetgeen zou zijn ingegeven door zijn wens om niet aan de beperkingen van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) gebonden te zijn. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen (aldus de notaris) niet als basis dienen voor een tuchtrechtelijk verwijt, waardoor het de onderhavige bedenkingen en klachten aan voldoende feitelijke grondslag ontbreekt.

    3.2.2. Het hof volgt de notaris niet in dit betoog. Weliswaar dient als tussen partijen vaststaand aangenomen te worden dat:

    - het BFT aan de kamer heeft verzocht het onderzoek naar de transacties te laten uitvoeren door de sector Wid/MOT van het BFT;

    - het onderzoek naar de transacties is uitgevoerd door de sector Wid/MOT van het BFT;

    - het onderzoek – mede – betrekking heeft gehad op de naleving van de Wid/MOT;

    - het onderzoek heeft geresulteerd in concrete, op de naleving van de Wid/MOT gebaseerde klachten;

    maar dit brengt naar ’s hofs oordeel niet met zich dat het gehele onderzoek wettelijke grondslag ontbeert. Deze grondslag is immers gelegen in de opdracht, zoals gegeven door de voorzitter van de kamer op 10 juli 2007 op basis van artikel 96 Wna. Of, en zo ja in hoeverre het BFT bij dit onderzoek buiten de grenzen van zijn – wettelijke – bevoegdheden is getreden, doet daaraan niet af. Het feit dat het hof het onderzoek als zodanig toelaatbaar acht, sluit echter niet uit dat bepaalde onderzoeksresultaten als door het BFT in strijd met de wet verkregen, door het hof bij zijn beoordeling (van de bedenkingen van de voorzitter) buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

    Ad a.: de bedenkingen van de voorzitter

    3.3. Gelet op het in rechtsoverweging 6.6. van de tussenbeslissing overwogene (te weten dat het hof met de kamer van oordeel is dat de opdracht tot onderzoek zoals door de voorzitter van de kamer gegeven, geen betrekking kan en mag hebben op de naleving van de Wet identificatie dienstverlening, verder Wid en de Wet Melding Ongebruikelijke transacties, verder Wet MOT) zal het hof, voor zover het onderzoek daarop toch betrekking heeft gehad zonder eerbiediging van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht, de daarop gebaseerde onderzoeksresultaten in zijn beoordeling van de bedenkingen van de voorzitter buiten beschouwing laten.

    De bedenkingen van de voorzitter ten aanzien van eventuele overtredingen van de Wid en/of Wet MOT, behoeven hier derhalve geen verdere bespreking.

    Het voorgaande sluit niet uit dat – indien en voor zover – deze onderzoeksresultaten zijn te kwalificeren als “bijvangst” als bedoeld in de tussenbeslissing onder rechtsoverweging 6.5., zij de rechtsgrond kunnen vormen voor een (zelfstandige) klacht van het BFT. Of, en zo ja in hoeverre daar in het onderhavige geval sprake van is, zal het hof nader beoordelen onder rechtsoverweging 3.10.3.

    3.4. De bedenkingen zoals door de voorzitter ter beoordeling aan de kamer voorgelegd, zien op tien (van de in totaal achttien) door het BFT onderzochte – series van – transacties met betrekking tot onroerende zaken in [ plaatsnaam ], [ plaatsnaam ], [ plaatsnaam ] en

    [ plaatsnaam ]. De voorzitter heeft gemeend dat de notaris ter zake van deze tien transacties heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 98 lid 1 Wna, nu er ernstige aanwijzingen van onregelmatigheden zijn geconstateerd, zoals onverklaarbare waardeveranderingen. In dit hoger beroep sluit het BFT zich daarbij aan.

    3.5. Door de notaris is in hoger beroep aangevoerd dat de kamer ten onrechte in zijn beoordeling van de bedenkingen van de voorzitter (rechtsoverweging 4.6 van de bestreden beslissing) acht transacties waarbij de handelaren [ naam ] en/of [ naam ] direct of indirect betrokken waren heeft meegewogen, terwijl slechts vier van deze transacties in de rapportage van het BFT zijn uitgewerkt en in de bedenkingen van de voorzitter zijn overgenomen. Weliswaar geeft de kamer in zijn beslissing aan dat de vier “extra” meegewogen dossiers hebben te gelden als “ad informandum” gevoegde zaken maar dit neemt niet weg, aldus de notaris, dat de kamer hiermee in feite buiten de door de voorzitter getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

    Het hof volgt de notaris in dit betoog. De kamer heeft in zijn beoordeling kennelijk aangeknoopt bij de in het strafrecht wel gehanteerde voeging van zaken “ad informandum”. Deze voeging “ad informandum” is een niet in het Wetboek van Strafvordering geregelde wijze van “afdoen” van strafzaken. Vereist is daarbij dat de feiten door de verdachte in het strafproces worden erkend. Het doel hiervan is de rechter bij de bepaling van de strafmaat wat betreft de ten laste gelegde feiten, ook rekening te laten houden met (niet ten laste gelegde) “ad informandum” gevoegde zaken die daarmee (tevens) als afgedaan hebben te gelden. Het hof is van oordeel dat deze vier door de kamer “extra” meegewogen dossiers zich reeds daarom niet lenen voor voeging “ad informandum” nu immers de voorzitter zijn onderzoeksopdracht (ten aanzien van de [naam]/[naam]-dossiers) heeft beperkt tot de vier transacties zoals deze ook ter beoordeling aan de kamer zijn voorgelegd. Aangezien de voorzitter de vier “extra” dossiers niet in zijn onderzoeksopdracht heeft betrokken, zou de notaris worden geschaad in zijn mogelijkheden tot verweer indien deze “extra” dossiers bij een tuchtrechtelijke beoordeling van diens handelen, desondanks zouden mogen meewegen. Vastgesteld moet voorts – ten overvloede – worden dat de notaris de juistheid van de verwijten...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT