Wraking van Centrale Raad van Beroep, June 04, 2013

Datum uitspraak:2013/06/04
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Beslissing 1: De Raad is in beginsel onbevoegd om kennis te nemen van een hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank op een verzoek om wraking. Geen schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen. Beslissing 2: De Raad begrijpt dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om te wraken is gebaseerd op de... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/6567 WWB, 12/6568 WWB, 12/6569 WWB

13/613 WWB, 13/779 WWB en 13/780 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen van [A. ] te [B.] tegen de beslissingen van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2012, 407861 (beslissing 1) en van 18 december 2012, 413401 (beslissing 2) op verzoeken om wraking.

Datum uitspraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.A. Bosch, advocaat, in beide zaken afzonderlijk hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 15 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bosch.

OVERWEGINGEN

Beslissing 1

  1. Bij beslissing 1 heeft de rechtbank het verzoek van appellant om wraking van mr. C.A. Schreuder (rechter) afgewezen. Volgens de rechtbank vormt de omstandigheid dat de rechter geen aanleiding heeft gezien om op de voet van artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getuigen op te roepen voor verhoor, geen grond voor wraking, ook niet indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat daarbij een beroep is gedaan op de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beslissing van de rechter is volgens de rechtbank ter zitting ten aanzien van iedere getuige gemotiveerd en die motiveringen hebben geen blijk gegeven van vooringenomenheid en roepen evenmin enige objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid op. De rechtbank heeft hieraan toegevoegd dat de beslissing over het horen van de getuigen is genomen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling en dat een in dat stadium genomen beslissing niet noodzakelijkerwijs impliceert dat de rechter niet in een later stadium, al dan niet na heropening van het onderzoek, alsnog kan en zal besluiten tot het horen van getuigen omtrent gemotiveerd bestreden en van belang zijnde feiten.

  2. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat beslissing 1 de afwijzing van het verzoek om wraking niet kan dragen, omdat daaruit de gedachtegang van de rechtbank niet blijkt. Appellant blijft erbij dat de motivering van de beslissing van de rechter om de getuigen niet op te roepen blijk geeft van vooringenomenheid en dat deze beslissing als onbegrijpelijk moet worden beschouwd, nu de gronden om de getuigen te horen slechts gedeeltelijk zijn weerlegd. Appellant heeft een second opinion gevraagd aan mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat bestuursrecht, die tot dezelfde conclusie is gekomen. Appellant vindt...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT