Herziening van Hoge Raad, June 11, 2013

Datum uitspraak:2013/06/11
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

Herziening. Aanvraag ongegrond.

 
GRATIS UITTREKSEL

11 juni 2013

Strafkamer

nr. S 12/01127 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 mei 2008, nummer 01/839125-07, ingediend door mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

  1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

    De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van onder meer "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 192 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

  2. De aanvraag tot herziening

    De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

  3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

    De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.

  4. Beoordeling van de aanvraag

    4.1. In de aanvraag wordt aangevoerd dat de aanvrager bij het hiervoor onder 1 vermelde vonnis van 7 mei 2008 is veroordeeld voor het op 28 juni 2007 te Nuenen opzettelijk aanwezig hebben van hennep en dat de zoon van de aanvrager door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 18 november 2010 is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde medeplegen van het op genoemde tijd en plaats opzettelijk aanwezig hebben van 11.098 gram hennep. In de aanvraag wordt gesteld dat het Hof tot die vrijspraak is gekomen op grond van door de raadsman overgelegde kadastrale kaarten en satellietfoto's met betrekking tot de locatie van de inbeslagneming, en dat dit gegeven - ware de Rechtbank daarmee bekend geweest - zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

    4.2. In de onderhavige zaak is ten laste van de aanvrager bewezenverklaard het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 10.458 gram hennep in een woning/pand gelegen aan [a-straat 1] te Nuenen, die zich blijkens het daarvan opgemaakte, tot het bewijs gebezigde proces-verbaal bevond in een vuilniszak die bij een doorzoeking aldaar is inbeslaggenomen. Blijkens het bij de aanvraag overgelegde arrest is in die zaak aan de zoon van de aanvrager tenlastegelegd het te Nuenen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aanwezig hebben van een hoeveelheid van (in totaal) 11.098 gram hennep en heeft het Hof hem daarvan vrijgesproken op de grond "dat bij het ontbreken van een eenduidige bepaling van de plaats waar de tenlastegelegde hoeveelheden hennep in beslag zijn genomen, niet is vastgesteld kunnen worden dat verdachte de beschikking of de zeggenschap daarover had".

    4.3. Voor zover de aanvraag ertoe strekt beroep te doen op de in art. 457, eerste lid aanhef en onder a, Sv omschreven herzieningsgrond, kan zij niet slagen omdat zich hier niet voordoet het geval dat bij onderscheidene uitspraken bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen.

    4.4. De aanvraag kan evenmin slagen voor zover bedoeld mocht zijn beroep te doen op de in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv omschreven herzieningsgrond, aangezien het aangevoerde niet het ernstige vermoeden kan wekken dat, ware de Rechtbank daarmee bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak, reeds omdat niet vaststaat dat het in beide zaken gaat om een en dezelfde hoeveelheid hennep. Ook indien dit wel het geval zou zijn, volgt uit het aangevoerde niet dat ook de aanvrager niet "de beschikking of de zeggenschap" had over de in de bewezenverklaring vermelde hoeveelheid hennep.

    4.5. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv worden afgewezen.

  5. Beslissing

    De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

    Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2013.

    Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

    Nr. 12/01127 H

    Mr. Aben

    Zitting: 9 april 2013

    Conclusie inzake:

    [Aanvrager]

    Onderdeel A: De aanvraag tot herziening

  6. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 mei 2008 is aanvrager van herziening wegens onder meer 5. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 eerste lid aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 192 dagen voorwaardelijk.

  7. Namens de aanvrager heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, herziening gevraagd van het onherroepelijke vonnis van de rechtbank.

  8. In de aanvrage wordt opgevoerd dat de zoon van de aanvrager (met exact dezelfde voornamen en achternaam als zijn vader) bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 november 2010 is vrijgesproken van het delict waarvoor de aanvrager onder 5 onder meer is veroordeeld, te weten het opzettelijk aanwezig hebben van 10.458 gram hennep (naar ik begrijp: een schraapsel van hennepplanten in een of twee vuilniszak(ken)) in een woning/pand (naar ik begrijp: de woonwagen van de (ex-)partner van de aanvrager c.q. moeder van de vrijgesproken zoon) aan [a-straat 1] te Nuenen op 28 juni 2007.

    De niet met de bewezenverklaring te verenigen vrijspraak van de zoon van de aanvrager op zichzelf, alsook de termen waarop het hof de vrijspraak heeft gebaseerd, worden thans ten grondslag gelegd aan het herzieningsverzoek.

  9. Ter terechtzitting van het hof in de zaak tegen de zoon van de aanvrager heeft de raadsman van de zoon betoogd dat de hoeveelheid van 10.458 gram hennep niet in of nabij de woning aan [a-straat 1] is aangetroffen en in beslag genomen, maar dat die hoeveelheid, blijkens de kennisgeving van inbeslagneming (die zich bij de stukken bevindt), is aangetroffen "naast de paardenstal". Die is volgens de raadsman van de zoon van de aanvrager 120 - 140 meter verwijderd van de woonwagen op [a-straat 1], en tussenin is bovendien een bosperceel gelegen. Deze stelling werd gestaafd met kadastrale gegevens en een afdruk van een foto afkomstig van 'google earth'.

  10. Ik merk ten gunste van dit verzoek overigens op dat het nummer van de verbalisant die deze (twee) zakken in beslag heeft genomen ("naast de paardenstal") afwijkt van de overige nummers op de kennisgeving van inbeslagneming en dat ik dat nummer niet terugvind op de bij het proces-verbaal van doorzoeking vermelde lijst van verbalisantnummers voor locatie [a-straat 1].

    Het hof heeft bij vermeld arrest de zoon van de aanvrager vrijgesproken vanwege "het ontbreken van een eenduidige bepaling van de plaats waar de tenlastegelegde hoeveelheden hennep in beslag zijn genomen, (zodat) niet is vastgesteld kunnen worden dat de verdachte de beschikking of zeggenschap daarover had."

  11. Uit Uw arrest van 2 oktober 2012, LJN BX6402, vloeit voort dat na de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van - kort gezegd - de Wet hervorming herziening ten voordele de aanvragen tot herziening die voordien zijn ingekomen dienen te worden beoordeeld naar de thans geldende maatstaven voor het bestaan van gronden voor herziening. De vraag rijst dus of de in de aanvrage opgeworpen gronden kunnen worden aangemerkt als een nieuw 'gegeven' in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c Sv.

  12. Vanwege deze wetswijziging heb ik de mij door U geboden gelegenheid aangegrepen om enige tijd stil te staan bij de betekenis van deze wetswijziging. In onderdeel B van deze conclusie zal ik daartoe zaaksoverstijgende beschouwingen wijden aan de betekenis die de wetgever bij het begrip 'gegeven' voor ogen heeft gestaan. In onderdeel C van deze conclusie kom ik daarna weer terug bij de voorliggende zaak.

    Onderdeel B: zaaksoverstijgende beschouwingen over het novumbegrip

    Inhoudsopgave

  13. Het herziene novum

  14. De spanning tussen rechtszekerheid en rechtsherstel

  15. Herziening op grond van een novum, voorafgaande aan 1 oktober 2012

    3.1. De historie

    3.2. De herzieningsprocedure

    3.3. Het novumbegrip

  16. Knelpunten in de oude regeling

    4.1. Algemeen

    4.2. De Puttense moordzaak

    4.3. De Schiedammer parkmoord

    4.4. De zaak Ina Post

    4.5. De zaak Lucia de Berk

    4.6. Conclusie

  17. De "oplossing" van de knelpunten

    5.1. Het gewijzigde deskundigeninzicht

    5.2. Nader feitenonderzoek door de procureur-generaal bij de Hoge Raad

  18. Waarneming en interpretatie

    6.1. Waarneming en interpretatie

    6.2. Waarneming en interpretatie in forensische wetenschap

    6.3. Waarneming en interpretatie. Vervolg

    6.4. Waarneming en interpretatie in geval van herzieningen

    6.5. De kwaliteit van het deskundigeninzicht

  19. De begrenzing van het 'gegeven'

    7.1. Inleiding

    7.2. Gewijzigde inzichten van andere dan feitelijke aard

    7.3. Het bewijsoordeel

    7.4. Gewijzigde inzichten van anderen dan deskundigen

  20. De andere voorwaarden voor het novum

    8.1. Restricties

    8.2. Een 'nieuw' gegeven

    8.3. De schakel tussen het gegeven en de uitkomst

    8.3.1. Een causaal verband

    8.3.2. Het relatieve gewicht van het novum

    8.3.3. De modelrechter

    8.3.4. Welke kans moet worden ingeschat?

    8.3.5. Zekerheid van onschuld is niet vereist

    8.3.6. De gradatie van waarschijnlijkheid van de vrijspraak na heropening

    8.3.7. Het modelproces

  21. Met herziening vergelijkbare instituten in het buitenland

    9.1. Rechtsvergelijking

    9.2. Frankrijk

    9.3. Engeland en Wales

    9.4. Duitsland

  22. De inwerking van de bijkomende restricties op het 'gegeven'

  23. Synthese

  24. Het herziene novum

    Artikel 457 Sv is gewijzigd bij Wet van 18 juni 2012, Stb. 2012, 275 (Wet hervorming herziening ten voordele), die in werking is getreden op 1 oktober 2012. Aan de werkingssfeer van de wettelijke grond voor herziening die gebruikelijk het 'novum' wordt genoemd, is daarbij een (in de woorden van de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT