Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Rotterdam, June 05, 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2013/06/05
Uitgevende instantie::Rechtbank Rotterdam
SAMENVATTING

Bijzonder rechtsmiddel: herroeping (art. 382 Rv); bedrog; overschrijding termijn art. 383 Rv.

 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/400258 / HA ZA 12-367

Vonnis van 5 juni 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

gevestigd te Ouddorp,

eiseres,

advocaat mr. H.J. Smit,

tegen

[gedaagde],

wonende te Moerstraten,

gedaagde,

advocaat mr. H.G.D. Hoek.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

  1. De procedure

    1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

    - het tussenvonnis van 29 augustus 2012 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

    - het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 25 januari 2013;

    - de brief van 25 januari 2013 van mr. Hoek, met producties;

    - de akte na comparitie van [eiser], met productie;

    - de antwoordakte na comparitie van [gedaagde].

    1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

  2. De vaststaande feiten

    2.1. Op 1 oktober 1980 zijn [A] (hierna te noemen: [A]) en [B] (hierna te noemen: [B]) de vennootschap [onder firma] [X] (hierna te noemen: [X]) aangegaan.

    2.2. In 1992 heeft [A] zijn aandeel in [X] ingebracht in [Y], thans geheten H.I.V.G. Management B.V. (hierna tezamen te noemen: HIVG). Eveneens in 1992 heeft [B] zijn aandeel in [X] ingebracht in [eiser], waarvan [B] bestuurder en enig aandeelhouder is.

    2.3. In 1995 heeft [gedaagde] de aandelen van [A] in HIVG overgenomen. [gedaagde] was van 12 oktober 1992 tot 1 december 2003 bestuurder van HIVG. [gedaagde] was van 17 december 1997 tot 1 december 2003 tevens enig aandeelhouder van HIVG.

    2.4. [B] en [gedaagde] hebben aanvankelijk – door middel van hun vennootschappen – als vennoten in [X] samengewerkt. Tussen [gedaagde] en [B] zijn op een gegeven moment geschillen gerezen die er toe hebben geleid dat [X] ontbonden moest worden. In dit kader hebben [B] en zijn vennootschap op 23 augustus 1999 een arbitrageprocedure tegen HIVG aanhangig gemaakt. Op 5 juni 2000 is in deze procedure een arbitraal vonnis gewezen. Dit vonnis luidt, voor zover van belang, als volgt:

    “In conventie en in reconventie:

  3. ontbinden de V.O.F. [X] per 1-7-2000;

  4. wijzen de onderneming toe aan [gedaagde] en bepalen dat [gedaagde] aan [B] per 1-7-2000 dient te betalen de somma van Hfl. 1.503.098,--, te vermeerderen met de bedragen die [B] na 1-1-2000 heeft opgenomen, te vermeerderen met 10% rente (op jaarbasis) vanaf 1-1-2000 tot 1-7-2000;

  5. bepalen dat [gedaagde] desgewenst van het in sub 2 vastgestelde bedrag een bedrag van Hfl. 1.010.000,-- mag betalen in 5 jaarlijkse gelijke termijnen, de eerste vervallende per 1-7-2001 en de laatste op 1-7-2005 en bepalen dat [gedaagde] daarover een rente verschuldigd zal zijn van 6% per jaar, te voldoen per kwartaal, de eerste keer per 1-10-2000 en daarna per 1e van ieder volgend kwartaal;

  6. bepalen dat [B] er zijn medewerking aan dient te geven dat het aan [X] toebehorend onroerend goed per 1-7-2000 wordt overgedragen aan [gedaagde] […]”

    2.5. Bij dagvaarding van 3 oktober 2000 hebben [B] en [eiser] een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen HIVG en [gedaagde]. In die procedure hebben zij – kort weergegeven – (partiële) vernietiging van het arbitrale vonnis gevorderd, alsmede veroordeling van HIVG en [gedaagde] tot betaling aan [B] en [eiser] van – onder meer – een bedrag van Hfl 1.220.000,--. Daarbij hebben [B] en [eiser] de vorderingen jegens [gedaagde] mede gegrond op de stelling dat [gedaagde] moet worden vereenzelvigd met HIVG. Subsidiair hebben zij de vorderingen jegens [gedaagde] gegrond op onrechtmatige daad. De rechtbank heeft die vorderingen bij vonnis van 18 oktober 2001 afgewezen. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

    2.6. Begin 2001 heeft [gedaagde] als bestuurder van HIVG de onderneming van [X] verkocht en geleverd aan [Z] (hierna te noemen: [Z]). De naam van [Z] is per 23 maart 2001 gewijzigd i[B]ns heeft [O] een dochtervennootschap opgericht, thans geheten [P] (hierna te noemen: Staalharderij BV). De aandelen in Staalharderij BV worden gehouden door [O]

    Deze is tevens bestuurder van Staalharderij BV. [gedaagde] is sinds 23 maart 2001 enig bestuurder van [O] (hierna tezamen met [Z] te noemen: Beheer BV).

    2.7. Bij dagvaarding van 4 oktober 2004 hebben [B] en [eiser] een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen [gedaagde]. In die procedure hebben zij – kort weergegeven – veroordeling gevorderd van [gedaagde] tot betaling van € 205.796,97 met rente en kosten. Aan die vordering hebben [B] en [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door – kort weergegeven – als aandeelhouder en bestuurder van HIVG vermogen aan verhaal te onttrekken en te bewerkstelligen dat de vordering van [B] en [eiser] op HIVG niet werd voldaan. De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis van 9 november 2005 afgewezen. In dit vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan, is overwogen, voor zover van belang, als volgt:

    “3.1. In dit geding gaat het om de vraag of [gedaagde] als bestuurder aansprakelijk is jegens [alle partijen] op de grond dat [gedaagde] een voldoende ernstig persoonlijk verwijt valt te maken van de gestelde omstandigheid dat [alle partijen] in hun...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT