Eerste aanleg - enkelvoudig van Rechtbank Rotterdam, June 12, 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:2013/06/12
Uitgevende instantie::Rechtbank Rotterdam
SAMENVATTING

Bestuurdersaansprakelijkheid. Kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW. Bestuurder heeft voor meer dan € 500.000,00 investeringen gedaan zonder dekking dan wel reeele terugverdienmogelijkheden. Oorzaak faillissement. Aansprakelijkheid. Geen matiging.

 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/339681 / HA ZA 09-2749

Vonnis van 12 juni 2013

in de zaak van

[de curator], handelende in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1],

kantoorhoudende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. N.W.A. Tollenaar,

tegen

  1. [gedaagde 1],

    wonende te [woonplaats 1],

    gedaagde,

    advocaat mr. M.I. van Dijk,

  2. [gedaagde 2],

    wonende te [woonplaats 2],

    gedaagde,

    niet verschenen.

    Partijen zullen hierna “de curator”, “[gedaagde 1]” en “[gedaagde 2]” genoemd worden.

  3. De procedure

    1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

    - de dagvaarding met producties,

    - de conclusie van antwoord met producties,

    - het tussenvonnis d.d. 20 januari 2010,

    - het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 16 september 2010,

    - de conclusie van repliek met producties tevens akte houdende vermeerdering van eis,

    - de conclusie van dupliek met producties,

    - akte uitlating producties van [gedaagde 1],

    - akte houdende overlegging producties van de curator,

    - akte uitlating producties van [gedaagde 1].

    1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

    1.3. De rechter die de comparitie van partijen heeft geleid is niet meer voor deze rechtbank werkzaam. Vandaar dat zij dit vonnis niet heeft gewezen.

  4. De feiten

    2.1. Na verleende surseance van betaling is [bedrijf 1] (verder: “[bedrijf 1]”) op 21 juni 2005 in staat van faillissement verklaard.

    2.2. [gedaagde 1] was de enige statutaire bestuurder van [bedrijf 1] gedurende de periode 1 maart 2003 tot 31 maart 2005. [gedaagde 2] was (indirect) statutair bestuurder van 31 maart 2005 tot 21 juni 2005.

    2.3. Op 7 april 2005 hebben [gedaagde 1] en [bedrijf 2] hun aandelen in [bedrijf 3] overgedragen aan [gedaagde 2] die hiermee middellijk 61% van de geplaatste aandelen in [bedrijf 1] verwierf. De koopprijs van de aandelen bedraagt in totaal

    € 10.000,00. Blijkens de notulen d.d. 31 maart 2005 van [bedrijf 1] is aan [gedaagde 1] “eervol decharge” verleend voor zijn bestuur. Dit besluit is ondertekend door [gedaagde 2] als directeur van een tussenholding ([bedrijf 4]) die 100% van de aandelen in [bedrijf 1] hield. De aandelen in [bedrijf 4] werden gehouden door [bedrijf 5] (topholding waarvan de aandelen werden gehouden door [bedrijf 3] (61%) en een [stichting] (39%)). [bedrijf 4] houdt 100% van de aandelen in [bedrijf 1].

    2.4. [bedrijf 1] exploiteerde een detailhandel, namelijk de verkoop van elektronica, in het bijzonder computers, vanuit haar winkelpanden in Amsterdam en Rotterdam.

    2.5. Gedurende de bestuursperiode van [gedaagde 1] speelde “[het project]”. Dit project behelsde dat [bedrijf 1] een nieuw pand aan de [straat] in Rotterdam beoogde te betrekken. Dit pand zou worden ingericht naar de modernste inzichten om zodoende een kostenbesparing en omzetverhoging te bewerkstelligen. De eigenaar en beoogd verhuurder van het pand, [bedrijf 6], stelde middels de besloten vennootschap “[bedrijf 7]” ([bedrijf 7]) een bouwdepot ter beschikking van € 885.000,00 (verder: “het bouwdepot”) “ten behoeve van de afbouw en inrichting van het gehuurde. [bedrijf 7] zal door [bedrijf 1] gefiatteerde en op naam van [bedrijf 1] gestelde facturen rechtstreeks voldoen aan de bij de afbouw/inrichting betrokken derden. Indien voor de afbouw en inrichting van het gehuurde niet het totaal bedrag van € 885.000,00 benodigd is, zal het resterende bedrag aan [bedrijf 1] worden uitgekeerd.”, aldus de brief van 17 december 2003 van [bedrijf 8] namens [bedrijf 7] aan [bedrijf 1].

    2.6. In het verzoek tot surseance is als onderbouwing vermeld:

    “De reden van de aanvraag is gelegen in het feit dat zij [[bedrijf 1], rechtbank] een project is begonnen aan de [straat] te Rotterdam dat een te grote aanslag op haar liquiditeitspositie heeft gedaan.”

  5. De vordering

    Na eisvermeerdering bij repliek luiden de ingestelde vorderingen als volgt:

    “De curatoren vorderen dat het de rechtbank behage bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  6. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] van [gedaagde 2] op grond van artikel 2:248 BW jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van [bedrijf 1] voor zover deze schulden – met inachtneming van het hierna gevorderde – niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan (het faillissementstekort), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

  7. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de hen opgedragen taak onbehoorlijk hebben vervuld en op grond van artikel 2:9 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de vennootschap als gevolg daarvan heeft geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  8. voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [bedrijf 1] alsmede jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de gezamenlijke schuldeisers als gevolg daarvan hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  9. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 2:248 BW hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan curatoren van een bedrag gelijk aan het faillissementstekort, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  10. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 2:9 en 6:162 BW hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan curatoren de schade die de vennootschap alsmede de gezamenlijke schuldeisers als gevolg van onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatig handelen van de gedaagden hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  11. ieder van gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op het bedrag dat gedaagden op grond van het hierboven...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT