Hoger beroep van Gerechtshof Amsterdam, 18 juni 2013

Spreker:gepubliceerd
Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
SAMENVATTING

Doodslag: verwerping beroep op (putatief) noodweer en (putatief) noodweerexces

 
GRATIS UITTREKSEL

parketnummer: 23-003465-12

datum uitspraak: 18 juni 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-666529-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de overwegingen in het vonnis onder 6 terzijde schuift en aanvullend de in hoger beroep gevoerde verweren zal bespreken en daarop zal beslissen.

Verweer ten aanzien van de strafbaarheid van het feit

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota bepleit dat de verdachte een beroep op (putatief) noodweer dan wel (putatief) noodweerexces toekomt, en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe heeft de raadsman ten eerste gewezen op, kort gezegd, de voorgeschiedenis van de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] (verder ook te noemen: [slachtoffer]), met name het eerdere incident waarbij de verdachte door [slachtoffer] met een aardappelschilmesje in zijn schouder is gestoken. Ten tweede heeft de raadsman gewezen op het feit dat [slachtoffer] de verdachte heeft opgezocht in diens kamer nadat zij enkele uren daarvoor ruzie met elkaar hebben gehad buiten op het plein.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof volgt de stelling van de raadsman voor zover deze inhoudt dat er sprake is geweest van enige vorm van onmin tussen de verdachte en [slachtoffer] gedurende hun verblijf in het asielzoekerscentrum en dat daarvoor ongetwijfeld een reden is geweest. Zij waren bewoners van hetzelfde asielzoekerscentrum gedurende ongeveer twee jaren en voor een korte periode hebben zij ook samen met anderen op dezelfde kamer gewoond. Uit de verklaringen van medebewoners van het asielzoekerscentrum en met name uit het overzicht van eerdere incidenten gemeld bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (dossierpagina’s 113 tot en met 118) blijkt dat de verdachte en [slachtoffer] constant ruzie met elkaar hadden en dat zij beiden meermalen betrokken zijn geweest bij geweldsincidenten.

Het hof kan de raadsman ook nageven dat het [slachtoffer] is geweest die op 20 juni 2011 de verdachte in diens kamer heeft opgezocht nadat zij enkele uren daarvoor een confrontatie met elkaar hadden buiten op het plein, waarover getuigen hebben verklaard dat er over en weer werd geschreeuwd.

Een en ander biedt op zichzelf evenwel geen grond om met succes een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT