Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2013

Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Intrekking en (mede)terugvordering bijstandsuitkering. Periode 1) De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in periode 1 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en had moeten beoordelen of appellante duurzaam gescheiden leefde van appellant en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB diende te worden aangemerkt. Geen sprake van duurzaam ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/7180 WWB, 11/7181 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 november 2011, 11/2099 en 11/2109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant) te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Als opvolgend gemachtigde heeft zich gesteld mr. R. Moszkowicz, jurist-gemachtigde.

Appellanten hebben nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Moszkowicz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Bloemena.

OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

    1.1. Appellanten zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn vier kinderen geboren. Het huwelijk is [in] 2007 door echtscheiding ontbonden.

    1.2. Appellante ontving over de periode van 8 november 2006 tot en met 31 oktober 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij heeft steeds in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Op dat adres hebben appellanten tot 8 november 2006 samengewoond. Appellant heeft vanaf die datum ingeschreven gestaan op het adres [adres 2] te [woonplaats] en op 9 mei 2007 heeft appellant zich ingeschreven op het adres [adres 3] te [woonplaats].

    1.3. Bij onderzoek in een andere zaak is bij observaties aan het adres [adres 3] gebleken dat appellant niet verblijft op het adres van inschrijving aan de [adres 3] te [woonplaats]. Omdat het vermoeden was gerezen dat appellant mogelijk met appellante samenwoont, is bij haar adres een waarneming verricht. Daarbij is op 15 februari 2010 onder meer geconstateerd dat de auto van appellant in de ochtend voor het uitkeringsadres stond geparkeerd met daarop een laag sneeuw, dat appellanten gezamenlijk vanaf het uitkeringsadres in de auto van appellant zijn vertrokken naar het kantoor van de sociale dienst omdat appellante daar was opgeroepen voor een gesprek en na afloop van dit gesprek ook weer samen zijn weggegaan. Appellante heeft in het gesprek met de fraudepreventiemedewerker verklaard dat zij alleen met de bus naar de sociale dienst was gekomen. Naar aanleiding hiervan heeft een sociaal rechercheur van de Afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur voor zover hier van belang dossieronderzoek verricht, omwonenden van het uitkeringsadres gehoord, voormalige huurders en de huidige huurder van het adres [adres 2] gehoord alsmede omwonenden van het adres [adres 3]. Ook heeft de sociaal rechercheur appellanten gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 november 2010.

    1.4. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 18 november 2010, gericht aan appellante, de bijstand van appellante met ingang van 8 november 2006 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 8 november 2006 tot en met 31 oktober 2010 van haar terug te vorderen tot een bedrag van

    € 57.231,81. Bij afzonderlijk besluit van 18 november 2010, gericht aan appellant, heeft het college het bedrag van € 57.231,81 mede van appellant teruggevorderd.

    1.5. Bij besluit van 27 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 18 november 2010 onder verbetering van de motivering ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag het standpunt van het college dat...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT