Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2013

Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens vertraging in de afhandeling van aanvragen om bijstand en de betaling daarvan. Niet-ontvankelijk verklaring van de afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade wegens - het niet betalen van voorschotten. Connexiteit. Niet tijdig beslissen. Te laat betalen bijstand. Materiële schade. Immateriële schade.

 
GRATIS UITTREKSEL

12/5270 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

14 augustus 2012, 12/48 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 26 november 2012, LJN BY4165, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Partijen, het college desgevraagd, hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Jong en mr. drs. J. Vonk.

OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1.1. Appellante heeft op 14 juli 2009 een aanvraag gedaan om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze aanvraag heeft appellante ondertekend op 23 september 2009. Bij brief van 2 november 2009 heeft het college de termijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag verlengd. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college appellante met ingang van 1 juli 2009 tot uiterlijk 1 november 2009 bijstand verleend op grond van het Bbz 2004 naar de norm voor een alleenstaande in de vorm van een renteloze lening.

    1.1.2. Het college heeft op 25 september 2009, 9 oktober 2009, 20 november 2009 en 14 december 2009 voorschotten aan appellante verstrekt van respectievelijk € 750,--, € 1.400,-- en tweemaal € 725,--.

    1.2.1. Appellante heeft op 19 oktober 2009 een aanvraag gedaan voor verlenging van haar Bbz-uitkering. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 11 februari 2010 afgewezen op de grond dat haar onderneming niet levensvatbaar wordt geacht.

    1.2.2. Op 17 februari 2010 heeft appellante een aanvraag gedaan om algemene bijstand als beëindigende zelfstandige in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bbz 2004. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het college appellante met ingang van 1 november 2009 tot uiterlijk 1 november 2010 bijstand verleend in de vorm van een renteloze lening. Hierbij heeft het college appellante de verplichting opgelegd haar bedrijfsmatige activiteiten zo spoedig mogelijk te beëindigen.

    1.2.3. Appellante heeft op 28 oktober 2010 een aanvraag gedaan voor verlenging van haar Bbz-uitkering. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 28 december 2010 afgewezen op de grond dat uit de door appellante ingeleverde gegevens niet is gebleken dat sprake was van verplichtingen jegens derden die een verlenging van de Bbz-uitkering na 1 november 2010 noodzakelijk maken.

    1.3.1. Op 21 december 2010 heeft appellante op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het Bbz 2004 een aanvraag gedaan om bijstand voor de kosten van levensonderhouden en een krediet voor herfinanciering van schulden. Het college heeft op 12 januari 2011 een voorschot aan appellante verstrekt van € 785,--. Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van 21 december 2010 buiten behandeling gesteld.

    1.3.2. Appellante heeft op 17 februari 2011 een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB gedaan. Bij besluit van 21 maart 2011 heeft het college appellante met ingang van 1 november 2010 bijstand ingevolge de WWB verleend. Daaraan heeft het college voor appellante de verplichting verbonden om ieder kwartaal een deugdelijke boekhouding van haar onderneming in te leveren.

    1.3.3. Het college heeft appellante bij brief van 28 maart 2011 ervan in kennis gesteld dat de betaling van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT