Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2013

Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Afwijzing aanvraag om een werkleeraanbod op grond van de WIJ. Weigering inkomensvoorziening. toe te kennen op de grond dat onduidelijk is waar appellant feitelijk verblijf houdt. De omstandigheid dat appellant door het verstrekken van inlichtingen zichzelf in (strafrechtelijke) problemen zou kunnen brengen, neemt niet weg dat op hem, als aanvrager, de verplichting rust om aan het college alle... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/6300 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2011, 11/2516 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Voor appellant is mr. Roethof verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1. Appellant heeft op 10 augustus 2010 een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Appellant heeft daarbij vermeld dat hij dakloos is. Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Daarbij is tevens geweigerd om appellant een inkomensvoorziening toe te kennen op de grond dat hij geen juiste opgave heeft gedaan van zijn woon- of verblijfplaats.

    1.2. Op 4 oktober 2010 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod op grond van de WIJ. Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen en tevens geweigerd een inkomensvoorziening toe te kennen op de grond dat onduidelijk is waar appellant feitelijk verblijf houdt.

    1.3. Bij besluit van 6 april 2011, voor zover van belang, heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2010 en 13 oktober 2010 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend en er geen grond is die de termijnoverschrijding rechtvaardigt.

    1.4. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het college de bezwaren van appellant alsnog inhoudelijk behandeld. Daartoe heeft het college op 9 augustus 2011 alsnog een hoorzitting gehouden. In het verslag van de hoorzitting staat onder meer het volgende: “U heeft wel eens een aanbod van een uitzendbureau gehad, maar dat aanbod verkocht u dan aan een bekende. Op de vraag van ondergetekende hoe u sinds augustus 2010 (en de periode daarvoor) in uw levensonderhoud heeft voorzien, geeft u aan dat u steelt en dat dit u goed lukt. U loopt bijvoorbeeld met volle mandjes uit de supermarkt zonder te betalen. U past...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT