Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 18 juni 2013

Datum uitspraak:18 juni 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen mededeling gedaan aan het dagelijks bestuur van het bezit van een groot aantal auto’s en de daarmee samenhangende, op geld waardeerbare, transacties. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/6044 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 september 2011, 11/500 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Pentasz Mergelland (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 18 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting van 7 mei 2013 aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    1.1. Appellante ontvangt sinds 1 maart 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%.

    1.2. Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante over 26 maanden in de periode van maart 2002 tot en met oktober 2009 ingetrokken. De over deze maanden gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 33.870,10 van appellante teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting aan het dagelijks bestuur geen mededeling heeft gedaan van het bezit van en transacties met betrekking tot een groot aantal auto’s. Als gevolg van het niet melden van deze transacties, en het niet bijhouden van een administratie, kan het recht op bijstand over de maanden waarin de registraties zijn beëindigd en de transacties hebben plaatsgevonden niet meer worden vastgesteld.

    1.3. Bij besluit van 23 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2010 ongegrond verklaard.

  2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

  3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur rekening dient te houden met, dan wel onderzoek dient te doen naar, de daadwerkelijke waarde van de auto’s. Appellante acht het niet juist dat het aan haar zou zijn om te bewijzen dat zij, indien zij aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, nog recht op bijstand zou hebben.

  4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

    4.1. Niet in geschil is dat appellante in de hier te beoordelen periode van maart 2002 tot en met oktober 2009 geen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT